Jarige Job

Jarige Job

Een tekst, laten we zeggen gedicht, voor een onbepaalde verjaardag, wat wel gezien kan worden in relatie met ‘Thuis‘, het vorige gedicht, maar eigenlijk is het vooral geschreven naar aanleiding van de herpublicatie op dit platform van deze NetteNul over verjaardagen.

Jarige Job

.

Hier, neem de tijd

voor jou op maat gemaakt

verpakt in huid

gestrikt met haar

.

Steek er nog één aan

jarige tobber dat je bent

zet weer een kaarsje bij

in de taartgrafiek van leven

.

Dat we toffe jongens zijn

en dat je het vergaan

van weer een jaar

bij leven mag beleven.

.

NETTE NUL #12 – Elke Nul

NETTE NUL #12 – Elke Nul

Laat mij u vertellen van tante Elke die woont aan de Bierkaai. Elke Nul leidt een zinvol en nuttig leven. Zo is ze actief bij de vrijwillige brandweer waar ze meesterlijk spuit elf bedient. Bij ieder loos alarm spant ze het paard achter de wagen en rukt uit. Doorgaans draait ze haar hand niet om voor het blussen van een binnenbrand, maar ooit is het voorgekomen dat ze per ongeluk olie op het vuur gooide. Dat muisje heeft een lange staart gehad. Toch mag tante bij de meeste mensen telkens potjes breken. Ze worden blij gemaakt door Elke’s dode mus die flierefluitend heel de buurt vermaakt.

Tante werd geboren in de pruimentijd, als dertiende in een dozijn kinderen. De ouders van het arme en toch al grote gezin waren Dokter erg dankbaar: ze kon voor een dubbeltje worden geboren. Per slot was ook dit kind op rekening gehaald.

Al op zeer jonge leeftijd hield Elke vaak praatjes voor de vroedvrouw. Deze nu was wat heet gebakerd en gooide het kind weg met het badwater. Niet echt zachtzinnig, maar zo kon tante reeds als kind de was doen en leerde ze haar eigen boontjes doppen.

Welbesteed, dat is haar leven. Een blauwe maandag werkte ze bij een zaak die knollen verkocht voor citroenen. Haar chef ging op de fles en belandde in de goot; Elke wist te promoveren naar Kantoor. De verantwoordelijkheid voor het inbrengen van lege briefjes was een taak die zij volbracht als geen ander.

Ze had alleen de gewoonte om krachtig open deuren in te trappen, zodat die weer vervangen moesten worden, en dat vond de dubbele boekhouder op den duur te duur worden.

Tante besloot voor zichzelf te beginnen op de vrije markt. Elke Nul heeft sindsdien een windhandel en leeft daar goed van. ’s Nachts verplaatst ze zoveel lucht als er maar in haar kraam past en overdag verkoopt ze zoete broodjes van gebakken lucht en glaasjes water met een storm.

Het heeft haar veel windeieren gelegd. Onlangs liet ze zich een huis bouwen op het ijs en dagelijks eet ze baliekluif. Ze gaat vaak op vakantie naar de Caraïben en dan speelt ze mee met een steelband. Op de holle vaten klinkt ze boven iedereen uit.

Ja, tante ziet de zon in het water schijnen en geniet volop van de schittering. In haar kinderhand blinkt een fortuin aan klatergoud.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

Dit was de 12e column die verscheen in jaargang 9, nummer 9 in december 1991.

Nette Nul #6: Buiten Utreg

Nette Nul #6: Buiten Utreg

“Doe maar een Spa-rood”, zei ik, en hij:

“Gewoon water. Nu moet je helder water in de fles kopen. Als knaap zag je het gewoon door de Kromme Rijn stromen. Kon je ook gewoon drinken, jazeker. Je kon de bodem zien, zo helder.

En als je dook moest je oppassen dat je niet boven kwam met een krab in je nek. De hele zomer hingen we daar rond. En vissen hè. Dat leerde Jan me: je breekt zo’n rietstengel doormidden en daar kan dan een wormpje zitten. Het heeft ook een naam, kokerrups of zo. Dat doe je aan je haakje en hij hangt nog niet in het water of weg is je dompelaar.

De scholen vis zwommen langs je kuiten. Daar zaten we dan als jongens. En appels jatten… sterappeltjes, ken je die? Onderlaatst was een ouwe buurman van me de boer op gegaan en die had ze nog. Je ziet ze anders nooit meer. Maar ja, dat was toen echt helemaal buiten, Amelisweerd en zo. Voorbij de spoorlijn daar bij de Jutfaseweg begon de polder. Dan heb ik het over nog voor de oorlog. Jutfaas was toen apart, een eigen dorp. Daar komt mijn vrouw feitelijk vandaan, van Jutfaas .

Dat groeit allemaal dicht hè. Ik ging van de week ’n end fietsen en kom door dat park. Daar heb je die brug over de snelweg. Nou, ben je daar overheen, dan zit je bekant al in Jutfaas, Nieuwegein dus.

Eerst was het nog van Lunetten, nou ja, we noemden het net een vakantiekolonie.

“Woonoord Lunetten” zei ik.

“Ja, haha, waar eh…, nee, maar eerst had je daar een stuk niets en dan opeens al die nieuwbouw. Nu zit er alweer een wijk aan vastgeplakt, bijna tegen Hoograven. De berg noemen ze het. In het krantje las ik dat ze daar vinden dat het iets aparts is. Dat zie je in Amersfoort, waar m’n zoon woont, ook. Woon je op de berg, dan zit je van eigens hoger.”

We rolden van zijn zware shag.

“Nee, de grenzen die je had vervagen. Heb ik tijd van leven dan is het dadelijk één grote nieuwbouwwijk tot over de Lek heen. Zul je zien, ze gaan het hier toch ook tot Houten dichtbouwen. Nu bij Amelisweerd weer, moeten er op de sportvelden zoveel honderd huizen komen. Ach ja joh, dat is toch geen Utrecht meer.

En het gaat maar door. Dubbele spoorlijnen, stationnetje erbij en nog één, meer kantoren, meer parkeren, ze doen maar. En eerst wel trammelant maken over een stukkie snelweg. Dan zeg ik, moet  je nou zien. Ik was daar laatst nog, in het bos. Maar ik rook gewoon die snelweg op honderd meter afstand. En dan denk ik bij m’n eigen: man man man…”


Naast mijn eigen verhaal zijn in dit stukje het spraakgebruik en verhalen van Piet de Rijk verwerkt. Ik was thuiszorgmedewerker bij hem, zijn vrouw met afgezet been en hun zwakbegaafde dochter Grada. Hij praatte origineel oud-Utrechts, met een zachte g. Hier schrijf ik het tamelijk ABN op, maar eigenlijk moet je bijvoorbeeld ‘maor’ lezen, ‘daolluk‘ en ‘ongderlaatst.’ “Ach ja joh, dat is toch geen Utrecht meer” klinkt dan als “àjgh jao, joh, dàs tojgh gjheun Utrejgh meer” maar dat lijkt me wat vermoeiend lezen.

Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten. Het dus niet om het Molukse ‘woonoord’ in Kamp Vught, alhoewel beide domicilies hun naam danken aan een zelfde militaire oorsprong (de naam van de column en zijn hoofdpersoon is een omdraaiing van het woord Lunetten).

Dit was de zesde column die verscheen in jaargang 9, nummer 3 op 4 april 1991. De illustratie is gemaakt door Merel de Groot.

Topgrafie ca. 1930
topografie ca. 2020

Thuis

Thuis

Wonen in twintig vierkante woorden

deur                                        stoel

vloer                                       lamp

muur                                       plee

dak                                          plant

.

raam                                       warm

kraan                                      droog

bad                                          plek

bed                                          slot

.

                        schuil

                        slaap

                        eet

                        woon.

Landschap naar Louisa

Landschap naar Louisa

Waarom zou je verder lezen? Wij zijn geen onafhankelijke bron. Naast eten,

poepen, slapen, ademen zijn we afhankelijk van honderden, duizenden anderen.

Maak jij je eigen schoenen, huis en telefoon dan zelf?

Jij en ik zijn elk een pixel in de foto die miljarden bij miljarden meet.

.

Ik was weer eens op de vlucht voor iets, of op jacht om daarvan af te komen,

met potten en pannen, allerlei huishoudelijk gerei sleepte ik mee. Rinkelend

vielen pannendeksels weg. De dame zwom door de zaal met een stroom

lang haar boven de steile rijen stoelen waarop kinderen zaten en ik moest zo nodig.

De wc was beneden op de eerste rij bezet.

.

En nu spoel ik het nachtelijk angstzweet van mijn lijf, blijf hangen in het afvoerputje.

.

We blijven in de woning binnen de rode contour van de gemeentelijk bebouwde kom.

Soms zetten we een voet erbuiten, naast het verharde deel voor huizen en bewegen.

Ach, het gevoel van zand of gras aan blote voeten.

.

En ik lach naar een vogeltje, zwaai als het kind dat niet zal sterven

zolang ik leef, al ben ik zo moe als een steen, zo droef als een gletsjer.

.

Ik krijg een tekening van haar mee. Wat is het Mila? Storm,

de laatste tijd is het vaak storm, nu van groene krassen op blauw papier.

Een halve eeuw geleden vroeg ook mijn moeder broer of zus: Wat is het?

Een schip. Maar het is helemaal zwart. Het schip is in de nacht.

En later het landschap van zusje’s dochter, al iets ouder:

een blauwe streep boven, een groene beneden. Klaar.

.

In de schemering verzamelen zich de honderden kauwtjes uit de buurt,

luid krassend in onregelmatige kringen zoeken ze een plek voor de nacht.

Veel blijven even hangen in de bomen, gaan dan weer met de menigte mee

die zich verdeelt over de daken van de flats.

.

Het zijn er teveel. Het zijn er veel teveel.

Landschap naar Louisa - oilstick op papier

De Rode Knop / The Red Button

De Rode Knop / The Red Button
De Rode Knop

Foute man. Gevaarlijke vrouw.
Harde zon. Lamme zoon.
Snoepjes. Regen. Goedendag.
 
Laten we gaan. Gauw
nu het nog kan. Geen idee
waarheen. Weg.
 
De toon. Maat. Soortgenoot
van de getijden hartenklop.
Rode knop. Vingertop. Grote klap.

-----------

The Red Button

Bad man. Dangerous woman.
Hard sun. Lame son.
Sweets. Rain. Good day.
 
Let’s go. Soon
now we still can. No idea
where to go. Gone.
 
The tone. Bar. Counterpart
of the tides’ heartbeat.
Red button. Fingertip. Big bang.

Feb.2020, uitgetypt, betekend en vertaald 3 mei 2020. / Feb.2020, typed, signed and translated May 3, 2020.

Nieuw en Oud

Nieuw en Oud

Twee gedichten, die niets met de coronacrisis te maken hebben. Alhoewel, misschien toch wel, in de zin dat beide het angstvirus bevatten.

Executie is geschreven naar een droom die ik had waarin ik werd doodgeschoten. Dat was begin december 2019. Het virus was toen net uitgebroken in China. Ik weet nu al niet meer of het toen al in het nieuws was. Volgens mij kwamen Nederlandse media pas in januari met de eerste berichten, maar mijn onderbewuste kan daar natuurlijk op vooruit hebben gelopen.

In ieder geval duurde het pas tot Pasen voordat mijn luie ik de tekst heeft afgemaakt. Aan de vrij summiere herinnering van de droom heb ik inmiddels van alles toegevoegd, eigenlijk alles tussen de eerste en de laatste paar regels.

De tekening is gebaseerd op het beroemde schilderij van Francis Goya: El 3 de mayo en Madrid ofwel Los fusilamientos (De derde mei in Madrid of De executies). De centrale figuur in het gedicht blijft staan, knielt niet zoals de man met de gele broek in het schilderij. Ik heb getwijfeld over een blinddoek, in de tekst althans.

Met de ontplooiing van COVID19 moest ik in ondertussen af en toe denken aan een tekst die ik lang geleden schreef: Volle maan. Dat gedicht is niet gebaseerd op een droom, maar op de realistische paranoia die ontstaat bij elke massa-hysterie, of zo je wilt, bij een uitbraak van het angstvirus. Ik heb het vaak met muziek uitgevoerd maar daar is helaas geen opname van. Het is een fijne tekst om voor te dragen.


Executie

(Eindejaar, het wordt weer bijna winter, tijd
om te snoeien, uit te dunnen, toppen te kappen, koppen laten rollen)
 
De gevangenis was groot en kaal, een regio uit de natie
als eiland aangespoeld op het continent, landmassa
ergens tussen Amsterdam en Singapore. Alle kanten op
 
loopt elke richting uit op het zacht zoemen
bij hoge hekken met de V van prikkeldraad bekroond.
Je bent overal gezien. Iedereen ziet zelf alleen
wat je maar wil, met dikke zogenaamde brillen.
De keuze is reuze. Het menu staat voorgespiegeld.
 
Alleen in de cel knagen ratten, raad en ziektes aan.
Klapwiekende vogels pikken naar ogen.
Je dode vader liep naakt door het plafond,
hij had twee volle ronde borsten.
‘Mama, mag ik al dood?’
 
Tegen de muur op de binnenplaats
met blote voeten in resten vuile sneeuw
kiert in een ooghoek licht weer binnen de
horizon. Een nieuwe dag
                (bevelen in die taal geblaft) breekt
                af.

Volle maan
 
Een pad kruipt in de nacht over de stad,
een bleeklichtend spoor trekt langs bloesems
die plots smerig geuren en verliefden doet
verkillen van angst, als hij langsgaat
 
Verandert de kroeg in een slagveld, fietsers
worden in de gracht gedrukt en auto’s
scheppen voetgangers, later water als een
dolle soldaat met z’n tank aankomt
 
Al rap zijn de eerste zelfmoorden gepleegd,
vetes worden tot de laatste vrucht
bijgelegd op de openbare weg. Na ‘n paar
uur zitten bereden bendes vast in het
 
centrum door vliegend glas. Regeringstroepen
bestrijden de pad die steun geniet
van een opstandig staatshoofd, de toestand
is onder controle al is alle contact
 
Volledig verbroken. De voorzieningen
zijn uitgevallen en elk huis is
een muizenhol waar ieder ieder gretig
aanvalt voor het doosje gif. In één
 
Maanstonde vergist haat de bevolking
tot kadavers, de stad tot ruïne.

Now who’s cool?

Now who’s cool?
Now, who’s cool? Like John Travolta-cool
Bullshit-bingo van een foute trailer
 
flutfilm vader foute
dochter                ex           moeder
cliché shake in polycolor
met auto vliegtuig pief paf poef
de echte man engel bengel
living the highlife op foute muziek
spectaculair gedoe (kutgozer, flauwekul)
 
[Ooit gehoord van operatie zwaardvis
met trombones en violen? Tom wacht]
auto      vliegtuig               pief paf poef
 
Jaguars volautomatisch pampam bubbles
on ice                   buckets full of speedo
[Like @ handsome – Rock & Roll - junkie]
we’ve got a tag going viral
finishing the job 24/7                    chop chop
choppers near the river. Steel and trumpets
                                               bullets and wrinches
 
De man met de sigaar. Hoe verder hoe geheimer
Walther Kühne, drummer, BSN 5014 12 801
Check ‘m uit       Q&A: What’s the plan, Stan?
Boem boem en paf en pief poef toe
Verdraaide draden blauw geel rood
of knip je toch de zwarte door – gokje?
 
In 3, 2, 1… daar wappert het vaandel vol viooltjes
                een vaasje valt in slowmotion van de
schoorsteenmantel in duizend diamanten
weer bijeen boven het haardvuur.
Pief paf en poef de ploffende floepert
bim bam en de bom blaast
 
4 tijdseenheden later … take the money and run Houdini
knip de kabel en alles komt goed
en iedereen leeft nog en is rijk
op een gestroomlijnd jacht met
bijpassende zonnebrilmonturen 
Living the high life
high five, high afternoon low on tea

now who is cool, like really really cool?

© Palescue 2019

Terug gevonden in het grote schrijfboek, zonder datum. Ik zal wel tv hebben zitten kijken…

Meander 2020/01

Meander 2020/01

“Vroeger las ik alleen dode dichters. Inmiddels vind ik levende ook wel leuk.”

Dit is wel heel leuk eigenlijk: ik sta in een tijdschrift. En wel in de eerste editie van de jaren 2020 van Meander, het Literair E-magazine voor Nederlandstalige Poëzie.

De drie gedichten die ik eind vorig hier heb geplaatst had precies zo ook ingezonden. Of het door de tekeningetjes of de extra tekst komt weet ik niet, maar men vond het leuk en wilde ze plaatsen. Wat heet, met de tekeningetjes en een oud gedicht extra, en een interview. Dit alles vergezeld van de fraaie foto die Maurice Timmermans ooit van me maakte ter gelegenheid van en in Artishock-Soest.

Ziehier het resultaat

Alleen dit, Planken Wambuis en de Hoop

Alleen dit, Planken Wambuis en de Hoop

Later meer, maar eerst het volgende: drie teksten die niets met elkaar te maken hebben, behalve dat ik ze redelijk recent typte. Je kan gerust zeggen dat de signatuur-tekeningen erbij vaster van vorm zijn dan de gedichten. Na de presentatie volgt een korte toelichting op het ontstaan ervan.

 Alleen dit

Geen feit of mening
                reden of bewering, argument
                geen conclusie, aanbeveling –
alleen dit.
 
Geen beeld of geluid
                beweging of stilstand
                geen begin, vervolg, einde –
alleen dit.
 
Geen goed of slecht
                humeur, gevoel, of temperament
                geen derde oog, zesde zintuig –
alleen dit.
 
Geen dag of nacht
                geen zomer winter, herfst
                of weersomstandigheden –
alleen dit.
 
Geen licht of donker
                geen gewichtige vorm, afstand
                massa of hoge diepte –
alleen dit
 
                taalstilleven, uitgelezen letters
                die zin geven per woord.
  Planken Wambuis
 
Want buiten wacht de waard
die niet valt te vertrouwen
al schijnt hij gouden bergen
op de te hoge waterstand
 
De waard waart rond en slaat gericht
zijn klauwen uit. Als zich een vinger
of teen over de drempel waagt
rukt hij je hele arme been af
 
Niemand hoort je noodklok luiden
buiten de lijken in de kast. Hoor
ze kraken op de vlizotrap
en tikken tegen ‘t dubbel glas
 
Laten we dus binnen blijven
de spoken verblijden met geesten feesten
op O zo te vermijden angsten,
de langste geflest onder ‘t aanrecht
 
Bedeesd benader ik het einde
en hamer een deur uit de nacht
Vrucht van mijn schoot, waar blijf je
om mij te redden van die gast?
  De Hoop
 
Mijn mes moet een machete worden
de valk een Ottomaanse dhow
 
De wekker staat elke dag weer op
het tijdstip van mijn executie door
een instrument met hoger doel.
De droom is heen en weer gesneld
 
over de mensen de velden de bergen en de zee
onder de radar in een opblaasboot
 
Daar wapperen witte lakens
uit de restanten van een kozijn
in de slaapzaal van het bospaviljoen,
verlaten portaal naar het ondermaanse.
 
De geest gaat te paard, de ziel te voet hier binnen
en beide laten hoop varen door het leven.

De Hoop was de eerste tekst, geschreven op 22 september 2019 in een soort vakantiedagboek waarin ik elke dag getrouw beschreef hoe we wat waar hadden gedaan. We waren in Turkije, met Lesbos in het vizier. We zijn daar ook geweest, een dag op en neer naar de EU met de reguliere ferry. Op de laatste dag van de vakantie wilde ik een stukje vrij schrijven. Dat werd dit. Toen ik het af had, zette ik mijn paraaf eronder die ik veranderde in een vissersbootje van het soort zoals ik had gezien in Turkije. De andere signatuur tekeningetjes maakte ik op 22 oktober.

Alleen Dit schreef ik begin oktober, eigenlijk als vervolg op een droom waar ik lachend uit ontwaakte. Dat was meen ik op woensdag de tweede. De lach, de bevrijdende, bijna hallucinerende vrolijkheid uit die droom heb ik niet kunnen reproduceren, daarvoor was de droom te snel verwaaid. Ik weet nog dat ik worstelde met een groot probleem toen het opeens duidelijk werd: alles begint met letters.

Planken Wambuis, tenslotte, is het product van de eerste vorm van schrijfcursus die ik volgde, een Masterclass Expressie in Poëzie door Gijs ter Haar. Dat was op zondag 13 oktober, in Zevenaar. Als onderdeel van het programma schreven we een A4 achter elkaar vol met een gegeven eind- en beginzin. Freewriting. De eerste regel was ‘Laten we vooral binnen blijven’ en de laatste ‘Je wilt dat kind behoeden’, allebei uit zijn bundel ‘Voor de zwijnen’ (2017). Elke gelijkenis met bestaande personen is louter toevallig en in die herberg op de Veluwe ben ik nooit geweest.

PT.’18

PT.’18

Kamperen op eigen grond bemest met eigen stront.
Er zijn kippen, mandarijnenbloesem, water van eigen bron
en stroom van eigen zonnewind. De honden passen op.
 
Het regent bijna niet meer. De egel verdween uit de tuin,
de appelboom werd nog wel behommeld.
Nodig, nuttig en noodzakelijk. Alles vaneigens aanwezig
 
hoofdzakelijk in warm behagen. Op onderling verbonden
onderliggende kabels van hout tonkelen avondbries en de laatste
duisterling lichtend in wolkende linies achter bedachte daken,
 
gekarteld karton stelt de honderdste seconde
af. Als de koperen kogel rolt een metalen vulpendop
over het glazen tafelblad.

Voor B&E, Palescue, IV.V.’IXX

Herrie Bier & Harde Koppen

K-dag19

Herrie, bier & harde koppen

scheten boeren wilde plassen

matten met de wouten

 

Plastic glazen natte poten

kouwe klauwen wollen dekje

melken choco, weidekopkaas

 

Op de tocht windkracht Oost

beuken op het horsten nok-hout

kloffen opgesjord aan dek

 

Van het huurvalkje uit Huizen

met een vat of wat aan boord

krampen blekkerende zwaarden

 

Stuurroos ten loeverse morgen

gister in vandaag verevenaard

omstreeks Dode Hond, Eemmeer.





Herrie-Bier-en-Harde-Koppen

Sonnet

Sonnet

Sommige mensen, inclusief mijzelf, vinden het jammer dat mijn teksten zo weinig vormvast zijn. Daar moest eens wat aan gebeuren. Dus heb een sonnet geschreven, naar een litanie die ik vaak fietsend afsteek.

SONNET


Fuck you fuck you fuck you.
Fuck you. Fuck. Fuck,
fuck you, fuck you, fuck,
F*ck you. FU & FU2
 
You & you & you. Fuck
You. Fuck him, fuck her. Fuck all.
Fuck it, fuck it, fuck it. Fuck.
Fuck, fuck you, fuck you all
 
Fuck you. Fuck you fuck
the system, fuck you, fuck fuck
fuck, fuck you. Fuck you.
 
Fuck it bigtime, fuck you too
and you and you and you – fuck
off. Fuck you. Fuck me. Fuck 

Pa-fucking-lescue, 30 DEC 2018
the finger
the finger

Stevige schoenen (Poëzieprijs 2019)

Stevige schoenen (Poëzieprijs 2019)

Ook vorig jaar stuurde ik gedichten in voor de De Grote Poëzieprijs, voorheen bekend als de Türing Gedichtenwedstrijd. En al vaker ging ik door naar de tweede ronde, maar dit jaar haalde één van de drie inzendingen zelfs de shortlist voor het podium. Die lijst was honderd gedichten lang en verscheen in boekvorm: Een geluk als nieuwe wijn geschonken, uitgegeven in Gent door het onvolprezen Poëziecentrum.

Ik prijs me er gelukkig mee. Daar sta ik dan, op pagina 77, met een gedicht uit 2018, geschreven rond de herdenking van de Tweede Wereldoorlog. Niet lang daarvoor waren nieuwe massagraven ontdekt op de Leusderheide met slachtoffers van Kamp Amersfoort. Honden wisten ze na 75 jaar nog terug te vinden.

Het is militair terrein. Als kind gingen we vaak stiekem de Vlasakkers op, een militair terrein naast de Leusderheide. Dat was spannend, vooral door de borden Gevaarlijk – Bewaking met Honden.

Stil maar , slaap maar, loop maar door

alles is nieuw nu voor het laatst

Geef mij een vers wit hemd,

een degelijk pak, een zwarte hoed

en schoenen om stevig in te staan –

dan kan ik de dag weer aan

als ik nog eens wakker word

wakker word en werken ga

wakker blijven tot het werkt –

werken aan de droomverwekker

Mannen met ferme baarden stappen

door voren die betovergrootvaders

al ploegden zaaiden oogsten egden –

daar blijft de tijd

en lente steekt elk jaar een hoop weer op

het leven uit doden van gistermorgen.

Stampende laarzen bovengronds,

nog even geduld en het moet lukken

om werkelijk alles kapot te krijgen.

Stil maar, schep maar, zand erover

de massa graven zo dichtbij –

aarde waar ik uit ben geboren

akkers onder heide waar we speelden,

waar we kogels en konijnenschedels vonden.

45mei fakkel  

mo’ nu-momenten-taal

mo’ nu-momenten-taal

onderhuids

kruipt het waar het gaan kan.

 

Feit – en

data zijn als klei: klei-

ne deeltjes grond, in groten getale

zwaar en taai maar moeiteloos

tot elke vorm te boetseren.

 

De fotograaf (Bloyd)

 

je kent de waarde van ogenblik

zo snel als tijd is het licht

verschoten

 

je moet alert zijn

om de wereld even vast te zetten, ingelijst

om de wereld even vrij te laten, uitgebeeld

 

het kan in een seconde gebeurd zijn

een druk op de knop

sluit je oog een vinger af.

 

3 augustus 1896

wat deden die soldaten daar in Soest op 3 augustus 1896?

Er zijn foto’s van die dag. Ze staan in uniform langs het Kerkepad, je ziet de Oude Kerk. Er staan ook burgers (boeren) bij met kruiwagens en verderop steken rietstengels over het pad.

Soest 18960803 soldaten 1

Soest 18960803 soldaten

fotograaf: Jacob Olie Jbz. Amsterdam (1834-1905).

November

November

Collage met The Specials

November_20171124
November

Volhouden
Niets doen
Hou vol
 
Doe niets
Het valt niet mee
Er moet zoveel
 
Maar nu niet
Nu moet niets
Dat is alles
 
Zoveel dus niet
Doe het niet
Hou vol

Do Nothing

Each day I walk along this lonely street
Trying to find, find a future
New pair of shoes are on my feet
Cos’ fashion is my only culture

Nothing ever change, oh no
Nothing ever change

People say to me just be yourself
It makes no sense to follow fashion
How could I be anybody else
I don’t try, I’ve got no reason

Nothing ever change, oh no
Nothing ever change

I’m just living in a life without meaning
I walk and walk, do nothing
I’m just living in a life without feeling
I talk and talk, say nothing

Nothing ever change, oh no
Nothing ever change

I walk along this same old lonely street
Still trying to find, find a reason
Policeman comes and smacks me in the teeth
I don’t complain, it’s not my function

Nothing ever change, oh no
Nothing ever change

They’re just living in a life without meaning
I walk and walk, do nothing
They’re just playing in a life without thinking
They talk and talk, say nothing
I’m just living in a life without feeling
I walk and walk, I’m dreaming
I’m just living in a life without feeling
I talk and talk, say nothing
I’m just living in a life without meaning
I walk and walk, do nothing

Songwriters: GOLDING, LYNVAL
Publisher: Lyrics © Universal Music Publishing Group, PLANGENT VISIONS MUSIC INC.

Minibundel: Zaterlog

Minibundel: Zaterlog

* Aan de ketting * Op de kast * Op de bank *

Vrijwel direct uit het notitieboek, tekst en tekening van een zaterdagavond.

* Aan de ketting *

Een ijzeren stormlamp

Een oude verrekijker aan een

lederen riempje

Een damestas in kraaltjeswerk

        vervlochten met zilver

Een Bowiemes in schede

        wederom aan leder geregen

En de volledige kaken van een haai

        met revolverend ivoor

In de schakels van de ijzeren ketting

        met ijzer gehaakt

* Op de kast *

Een kist eigenlijk

Uit Indonesië vervoerd in Ruim 4

Een lange couponschaar

bij een vel obligaties van

Den Bataafschen Olie en Palm Compagnie

Een donker houten gedraaide tabakspot

Een Fransch artisanaal gebakken

en beschilderde pot met passend deksel

Ronde kaarsen wit en blauw

uit bruin ijzer gehamerde waxinelichthouder

en glazen kegels, een vaas en koptelefonades

en een metalen wierookstokjeshouder

* Op de bank *

Kussen’s natuurlijk

Wollen hout en haar van de kat

        onvermijdelijk. Telefoon op afstand

hand- en zakgehouden oortjes van

plastic en koper en meer voor beeld & geluid

        centraal op de plank

belicht in Led en halogenen blauw rood wit

        en groen amber en sepia

van silicoon en edele metalen onder

eeuwig nederdalend stof, in een sfeer

gedraaide lange snorharen,

brandend vet & van geparfumeerde oliën

        doordrenkte lonten in het vat.

slaapstede

slaapstede

 

Doe het raam in mijn kruin

dicht en laat de luxaflex

neer voor mijn gezicht

in het venster op zolder

 

Hang het kleed over de kooi

waar mijn stem tegen tralies fladdert

en doe buiten mijn blinden,

met die hartjes, toe.

 

Vergrendel het luik van de keldertrap

die steil mijn koele buik indaalt.

Laat gordijnen zich draperen

over de erker van mijn middel

 

en knip al het licht

in huis uit.

Hier is de sleutel, sluit me

af voor de nacht.

 

slaapstede_20170609_def

 

Palescue 15.VIII./30.X. ’16

Gewijzigd 8/9 VI.’17 tgv EO Radio 5; uitzending ‘Thuis op 5’ dd 09.VI

Don’t open the light door

Don’t open the light door

ErPeterVOostzanen_don_t_open_the_lightdoor_ca80x60cm

is gevlogen en geland

ontdekt en opgestegen

de piloot is ver geweest en

de hangar is duister

 

ver

tinkelt ijs en ongebroken glas

het licht hier wijst niet maar omhult

en wat nog vliegt

dooft niet in water uit

 

de

nacht zoemzingt hem tegemoet

de reiziger weet niet

of zijn droom nu uitkomt

of dat hij die voorbij is

 

hij

tast langs een muur tot een deur

naar buiten of binnen

weg van zijn kist die terug is

en nu wacht op aarde

 

de

drempel over gaat hij verder

en vindt weer vaste grond

tot eerst de muur verdwijnt

en dan de vloer

Palescue @ Peter v Oostzanen: ‘Don’t open the light door’ (conté) (tekst: bewerking van ‘Ruimte’) feb/mrt 2017

ik sch!et

ik sch!et

ik start

ik ren ik sch!et

ik spring ik rol

ik sta

ik sch!et ik ren

ik sch!et ik sch!et

ik win ik sch!et

ik ren

ik sch!et

ik sta ik kijk

ik sch!et sch!et sch!et

ik ren ik sprint

ik sta ik richt ik sch!et

ik vlucht

ik schuil

ik sch!et ik sch!et

ik spring ik loop

ik pak ik sch!et

ik zie ik sch!et

ik schrik ik sch!et

ik schreeuw ik sch!et

ik win

ik bloed ik laad

ik ren ik vloek

ik sch!et ik roep

ik kijk ik richt ik sch!et

ik loop ik sch!et ik draai

ik zie ik sch!et

ik bloed ik pak

ik kijk ik duik

ik rol ik zit ik schiet

ik richt ik sch!et

ik sch!et ik steek

ik steek steek steek

ik win ik laad

ik sch!et ik sch!et

ik draai

ik sch!et sch!et sch!et

ik k!ik

ik schrik ik steek

ik val ik bloed

ik stomp ik klik

ik zucht

ik stop

ik start

voor GS & Speelstation4

Palescue, 20-25Feb2017

speelstation_cod_img_20170222_014100763_hdr

 

 

Bezie de kudde die aan je voorbij graast

Bezie de kudde die aan je voorbij graast

 

Bezie de kudde die aan je voorbij graast

 

over de velden van zout en suiker

naar een feest

wat al is geweest

het zinloze beest

verenigt menigeen

waaronder deze

 

kijk en luister

je ziet en hoort

hier zit je goed

rammelende snaren

verslaan de camera

met een koperen zucht

 

wat kan je nog doen?

je houdt het oog op de vlam

en brandt je stem

aan het gras

 

nietzsche2

De titel en eerste regel gaat verder met

“….niet wetende wat gisteren, wat vandaag is, ze dartelt rond, vreet, rust, verteert, dartelt verder, en zo van de ochtend tot de avond, dag aan dag, in haar lust en onlust kort aangelijnd aan het ogenblik en daardoor niet zwaarmoedig en niet verveeld.”

Dat is de eerste zin van Friedrich Nietzsche in Nut en nadeel van geschiedenis voor het leven.  Tweede traktaat tegen de keer. Geschreven in 1874 en nu nog net zo waar als toen ik het las in deze uitgave van Historische Uitgeverij Groningen uit 1983. Vandaar wellicht dat de titel spreekt van een Unzeitgemässe Betrachtung – niet in tijd te meten.

En natuurlijk, de dichter is een koe, dat ook.
Palescue 20170217 – uit losse flodders van 2016 en een beetje van nu.

nietzsche1

 

vroeger waren de rapen gaar, tegenwoordig sneller aangebrand

vroeger waren de rapen gaar, tegenwoordig sneller aangebrand

 

maar laten we het daar even niet over gaan hebben

 

obsidiaan, zo zwart en glad en zo

mooi om twee redenen die ik ben vergeten

 

Geen taal zonder teken

(geen boom zonder Lyme)

geen droom zonder slaap

 

Geen leven zonder als een blad

pre-terminaal te verwaaien in de wind

die je zomaar niet uitzet, het ene oor uit

het andere in je luistert hardop

naar het beuken van je hoofd

tegen de spiegels uit een boek

 

Daar gaan we het dus niet over hebben

zeker niet nu

niet nu het net even bijna –

gaan we het daar niet over hebben

 

Als ontheemde aapjes door de ongekende jungle

soms even een beekje glinsterend tussen het groen

en soms even sporen om te volgen

van anderen die er zijn geweest

en het spoor terug steeds niet laten zien

 

De heuvels af en weer op en weer af en waarheen

daar gaan we het maar niet over hebben

al klim je in de hoogste boom voor overzicht

rondom zie je alleen meer bomen

en je droomt van een kale wereld

geen enkele bubbel om in op te sluiten

al is een warm hol onder beuken wel weer fijn

 

maar daar gaan we het niet over hebben

niet nu

Zeg ken jij

De olieman heeft een Fordje opgedaan

en rijdt ermee als een vorst door de Jordaan

 

Herinnering is een teken van de tijd voordat je leefde

het bewuste wezen blijft voor altijd nu

ver weg onduidelijk dichtbij net om de hoek maar

niet hier geef een bijl om het ijs niet maar het glas

te breken van de spiegel tussen ons

dan zien we elkaar eens

oog om oog

niet nu


 

De Olieman heeft een Fordje opgedaan – Louis Davids, geschreven door Jacques van Tol (1933). De volledige tekst staat onder deze link.

 

Zeg ken jij…de mosselman / de mosselman / de mosselman / Die woont in Scheveningen – kinderliedje, naar het Engelse liedje over de ‘muffin man’ – zie ook het artikel onder deze link.

De Papegaai van Zwarte Willem

De Papegaai van Zwarte Willem

eem2
Kleine Melm, de Eem

Laatst voer ik ’s avonds over de Eem. De boot heette Inspiratie en vertrok vanaf de Kleine Melm, onder ouderen nog steeds bekend als Zwarte Willem. De bebouwing daar is de oudste van Soest, in de muur staat het jaar 1681.Vroeger was er een café, genoemd naar de plek en de eigenaar: Zwarte Willem. Er was een pontje naar de overkant en je kon er ook bootjes huren. Ik hoor hem nog zeggen: ‘Dat is dan zeven pietermannen.’ Dat was in guldens een middag roeien, medio jaren ’70.

Op de Inspiratie hoorde ik een verhaal: tijdens de Tweede Wereldoorlog stond ook de bezetter wel eens bij Zwarte Willem aan de toog. Nu was in de zaak was ook een papegaai, en om de paar minuten riep dat beest: ‘Hitler is dood! Hitler is dood!’ De Duitsers lieten de papegaai maar begaan. Het was aan het begin van de oorlog – de sfeer was nog niet zo grimmig en de dorst was groot.

Naarmate de avond vorderde begonnen ze zich toch te ergeren. Bij het afscheid zei één van hen: van hen: ‘Alles gut, Schwarze Wilhelm, maar als diese papegaai volgende keer wieder so tekeer gaat, schiet ik persoonlijk z’n kop eraf.’

Wat te doen? Je kan een papegaai leren praten maar hem iets afleren is eigenlijk onmogelijk. De vrouw van Zwarte Willem zei: ‘De dominee heeft ook een papegaai. Laten we onze papegaai ruilen met die van hem.’

Zo gezegd, zo gedaan.

Bij hun volgende bezoek hielden de soldaten de papegaai nauwlettend in de gaten. Hij zei niets. Er kwam geen geluid uit. Op een gegeven moment besloot één van de Duitsers de vogel te provoceren. Hij ging naar de papegaai toe en riep: ‘Hitler is dood.’ Nu klonk het, met de gedragen galm van de dominee, luid door de kroeg: ‘Laten wij danken!’

zwwillem
Zwarte Willem met passagier op zijn pontje

Zoo palescue1 V&V_2017_01
Zoals het verscheen in Veren & Vachten, een uitgave van St. Dierenzorg Eemland (jg.12, 2017-01, maart 2017)

Uitnodiging: Literair-muzikale zondagmiddag in Artishock

Uitnodiging: Literair-muzikale zondagmiddag in Artishock

Onlangs publiceerde de Soester dichter Palescue een bundel onder de titel “Weg is altijd ergens.” Zondagmiddag 11 december vindt in Artishock de presentatie plaats onder toeziend oog van Jan Visser, nestor van de plaatselijke dichtkunst. Daarnaast treedt de dichter op met twee muzikanten: Semmy Prinsen (saxofoon) en Kamal Hors (ud, arabische luit). Na de pauze kunnen aanwezigen eigen gedichten voordragen, of gedichten van anderen. Ook dan is er live muziek.

cpresentatie-1Semmy Prinsen, tenorsaxofonist, is bekend als jazzmuzikant en organisator. Hij is ook actief als DJ ‘Play it again Sem’. Met originele draaitafels uit de 40-er jaren draait hij 78 toeren platen vanuit een bakfiets. Kamal Hors is een professioneel muzikant, zanger en componist die vooral bekend is door zijn projecten met ensemble Windstreken, waarmee hij ook optrad in het  tv-programma Vrije Geluiden.

Jan Visser is medeoprichter van Artishock in 1967, de Stichting Literaire Activiteiten Soest (SLAS) en van het Cultuurplatform Soest. Van 1990 tot 1994 was hijwethouder van Ruimtelijke Ordening en Kunst. Bovendien publiceerde bij verschillende uitgeverijen tien poëziebundels.

Poëzonmuziekmiddag

De schrijversnaam Palescue is een anagram voor Cees Paul. Hij zegt: ”Natuurlijk vind ik het spannend om mijn eigen gedichten te presenteren. Maar ik ben vooral trots dat ik door die mooie muziek van Kamal en Semmy heen mag praten.”

palescue_polaroiddscf8821
Foto: Katja Sobrino

Wat heb je voor ogen met deze zondagmiddag vol poëzie en muziek?

“Een echte Poëzonmuziekmiddag, of is het Poëmidmuzondag? Ik hoop op een soort festivalsfeertje. Er komen in ieder geval een paar interessante gasten. Bassist Jeroen de Valk komt met gitarist Peter Smit muziek maken, en ook teksten voordragen. En helemaal vanuit Groningen komt Hubert Klaver een paar columns voorlezen. Die man is zó grappig. Wellicht ook dat de dorpsdichter, Kond le Bisck, acte de présence geeft. En er is ruimte voor iedereen die langs komt en wat wil voordragen.”

Waar gaat je dichtbundel over?

Palescue: “Het is een selectie. De ondertitel is dan ook: “Titel 2: Verzameling uit de gele ordner.” Die gele ordner is de tweede die ik heb gevuld. Inmiddels ben ik met de vierde bezig. Maar ik heb niet echt een vast thema. Het gaat soms letterlijk over Iets en Niets. Over van alles en nog niks. Poëzie is niet alleen een verhaal, het ook een kwestie van klank en ritme. Het is niet voor niets dat ik graag optreed met muziek.”

“Weg is altijd ergens Titel 2: Verzameling uit de gele ordner”  ISBN: 978-94-022-2944-8 Prijs: € 15,99 (inclusief verzendkosten) Te koop bij de presentatie en bij Cigo Peperzak (Van Weedestraat), Libris boekwinkel Van de Ven (Soest Zuid) en in de webwinkel van Uitgeverij Boekscout.

Artishock zondag 11 december, 15:00-17:00u., Steenhoffstraat 46a, Soest. Toegang gratis. Een bijdrage in de kosten wordt gewaardeerd.

Octade

Octade

Het interesseert misschien niemand ene reet, maar ik heb een nieuw gedicht gemaakt. En passant heb ik daarbij een nieuwe versvorm uitgevonden. De Octade, een binair poëem: 1 gedicht met 4 lettergrepen per regel waarbij twee gekoppelde regels worden verdubbeld tot vier per couplet.

(lees verder onder het gedicht)

Octade

Door de dagen
verder / terug
voor de dagen
uit en thuis

door de dagen
gaan en komen
voor de dagen
die nog resten

door de dagen
die nog slapen
voor de dagen
die ontwaken

door de nacht en
de dag ervoor
het dagen voor
en na de dag

door de dagen
voorbij de nacht
komt de droom langs
voor de dagen

door de dagen
maant het zonlicht
voor de dagen
het maanlicht aan

onder / tussen
vast geklonken
aan de kinken
in de kabel

alles beweegt:
wat stroomt staat vast
voor de nachten
door de dagen.

Palescue, september/oktober 2016

creëert een nieuwe versvorm:

In deze eerste octade worden acht verzen geplaatst met in totaal 128 lettergrepen, vier per regel. De regels zijn twee aan twee gekoppeld en vormen zo acht lettergrepen of één ‘byte’. Er zijn er twee per couplet. Het hele gedicht vormt dan 16 ‘byte’.

octade_20161021_2Een byte of octade is een ‘woord’ van acht bit, een combinatie van acht nullen en enen. Als we de, talige, lettergreep als binaire bit beschouwen, kan je zeggen dat in dit gedicht een stukje code is neergezet met twee tot de macht zeven lettergrepen (27= 128).

Met de standaard van acht bits per byte, zou het twee tot de macht acht 28 ofwel 256 lettergrepen worden. Dan zou het gedicht twee keer zo lang zijn en niet meer op één pagina (A4) passen, wat in de papieren wereld een soort natuurlijke grens is.

Het begon eigenlijk met het zinnetje ‘door de dagen.’ Dat spookte door mijn hoofd, vooral ’s nachts. Dan kon ik de slaap niet vatten en draaide het maar rond: “Dóór de dagen (één twee drie vier) / Vóór de dagen (één twee drie vier)…” Uiteindelijk schreef ik maar een paar associaties van vier lettergrepen op in klad. Van de week schreef ik ze in inkt en pixels om na wat puzzelen, strepen en bijschrijven tot deze tekst te komen.

De talige (on-)zinnen die er nu staan hebben, althans in mijn ogen, nog de schijn van een betekenis. De ‘ware betekenis’ van de code achter deze 16 byte aan 7-bits gecodeerde talige woorden is voor mij een raadsel. Je kan in principe elke letter terug vertalen naar hexadecimale bytes. De kans is groot dat er dan onzin uitkomt waar het systeem met een beetje mazzel van op tilt slaat: ***ERROR***

software_error

Uit Wikipedia:

Een byte is een binaire eenheid van informatie voor te stellen als een woord van een aaneengesloten rij van bits. De de facto standaard is dat een byte uit 8 bits bestaat. Het kan zijn dat vroeger, (jaren 60), er nog geen consensus was over de precieze definitie en ook verwarring met een (machine)woord ligt voor de hand. De moderne definitie van een byte is de kleinst rechtstreeks adresseerbare eenheid. Daarmee is de eenheid van informatie van een byte, hoewel tegenwoordig altijd 8 bits, afhankelijk van de gebruikte processorarchitectuur(hardware). ECMA, de internationale, private standaardenorganisatie voor informatie- en communicatiesystemen, gebruikt de frase “8-bit single byte”.

Om expliciet aan te geven dat men acht bits bedoelt, gebruikt men ook wel het woord octet (bij Philips octad (Engels) of octade (Nederlands)). Mogelijk werd de term byte vermeden omdat het intellectuele eigendom was van IBM.

Meestal wordt de waarde van een 8-bits byte weergegeven als twee hexadecimale cijfers; daarbij wordt de byte opgesplitst in tweemaal vier bits; een groep van vier bits heet een nibble (bij Philips tetrad of tetrade). Het woord ‘byte’ is een aanpassing van het woord ‘bite’ (hapje) om verwarring met bit te voorkomen. Het is bedacht door Werner Buchholz in 1956 tijdens de ontwikkeling van de IBM Stretch-computer. Het woord duidt op een ‘hapje’ vol bits. Het woord ‘nibble’ heeft dezelfde etymologie.

 

 

Extra’s bij de bundel

Extra’s bij de bundel

Sinds kort is mijn bundel ‘Weg is altijd ergens, Titel 2: Verzameling uit de gele ordner’ digitaal te koop en wel via deze link. Je kan het natuurlijk ook via mij kopen. Ik heb zonet een doosje besteld om door te verkopen, misschien wel aan jou. Je krijgt er dan optioneel een pretpakket van signering en persoonlijke overhandiging bij.

De gele ordner is de tweede die ik heb gevuld, tussen circa 1990 en 2006. Ongeveer tientitelgedicht jaar daarvoor begon ik mijn werk te verzamelen in een antieke, grijze ordner. Een selectie daarvan verscheen in 1994 als ‘Caesar’s Paleis’, zeg maar Titel 1. Om het verhaal rond te maken heb ik een paar van die oudere, en nieuwere,  gedichten overgenomen in deze bundel. Er is nog genoeg moois over – een nieuwe bundel met ouder werk verschijnt hopelijk later.

De afgelopen tien jaar heb ik een derde, witte ordner volgeschreven en vandaag de dag verzamel ik teksten in een blauwe. Ook hieruit hoop ik in de toekomst een selectie te laten verschijnen. Bij de samenstelling van deze bundel heb ik me niet alleen beperkt in de tijd, maar ook in de lengte van de teksten. De langere teksten zijn ook inhoudelijk anders, meer poëtisch proza. Misschien moet daar ook maar een apart bundeltje van komen…

De tekeningen in Weg is altijd ergens zijn overigens jonger dan de gedichten, met uitzondering van die bij het titelgedicht op pagina 43. De tekening is, net als de overige, los van de tekst gemaakt en verbeeldt ‘een palescue aan de wandel’. Toen ik de figuur Palescue uitvond was het in eerste instantie een soort stripfiguur.

Het laatste gedicht uit de bundel is ‘Eigendunk.’ Met de webcam ziet het er zo uit op YouTube:

Ook van ‘Koude kermis’ heb ik een filmpje gemaakt. Zelfde opstelling, andere aanpak. Met muziek, jawel:

Over

Toen de gele ordner vol was had ik al een eerste versie gemaakt. Gewoon, een selectie thuis  netjes opgemaakt, uitgeprint en in een plastieken snelhechter gedaan. Nadat de daaropvolgende ordner vol was vond ik dat het tijd werd voor een echt boekje. Eerder had ik wel boekjes in eigen beheer gemaakt. Een hoop gedoe. Ik ging dus insturen. Van de ‘grote namen’ hoorde ik niets of ik kreeg een afwijzing.

Dan maar POD – Printing On Demand. Da’s gratis, da’s goed. Uitgeverij Boekscout had daar wel zin in. Uit de beoordeling van het manuscript dat ik instuurde:

De titel wekt meteen mijn interesse en bij het eerste gedicht weet ik het al: deze bundel wil ik helemaal lezen. Je speelt met woorden op een manier die laat doorschemeren dat je kennis van taal en een uitgebreid vocabulaire bezit. De diepere lagen in de gedichten doen de lezer stilstaan en nadenken bij wat hij zojuist gelezen heeft. Prachtig zijn de net niet kloppende bewoordingen die zoveel sfeer en herkenning oproepen, zoals bijvoorbeeld: ‘de kamerplanten zijn bijna / nog steeds niet dood’ of ‘van jou haat ik het liefst’. Deze bundel zal eenieder die van taal houdt blij verrassen en eenieder die op zoek is naar goede poëzie vergenoegen. Ik weet zeker dat ik, wanneer deze bundel eenmaal in mijn boekenkast staat, de gedichten van tijd tot tijd nog eens met plezier door zal lezen, en dat ik dan alsnog taalkundige pareltjes tegenkom die me eerder niet waren opgevallen. Ik neem mijn hoed voor je af.

-Marjet

Opmerking:
Wel hebben we één aanbeveling: er staat één Engelstalig gedicht in de bundel. Voor de continuïteit is het wellicht mooier om het enkel bij Nederlandstalige gedichten te houden.

Het was dus vrijwel klaar, dacht ik. Maar ik haalde niet alleen dat Engelstalige gedicht eruit, ik herzag de hele selectie, ging de hele map weer van achter naar voren doorspitten. Ik wijzigde kleine dingetjes en vond steeds meer kleine imperfecties in de opmaak. De cover was natuurlijk ook nog een dingetje. Uren mee bezig geweest. En ik wilde er tekeningen bij. Oude tekenboeken en bestanden doorgebladerd, ingescand, aangepast en in de tekst gepast.In Word, want Boekscout wil een manuscript in Word.

Toen ik de eerste ‘proefdruk’, een PDF in de mail terugkreeg zag ik een andere cover, een andere letter, een andere bladspiegel en een andere indeling. Na verschillende mails en een telefoongesprek ziet het er ongeveer zo uit als in het begin. Alleen waren de gedichten wel wat verschoven. De Inhoudsopgave heb ik wel telkens aangepast, maar de verwijzingen in de verantwoording, door mij Extra’s genoemd klopte niet meer.

Blurb

Daarom maakte ik een inlegvelletje: Errata in Extra’s.

Natuurlijk ging ik met het boekje ook naar de plaatselijke boekhandel. De mevrouw van de boekhandel wilde wel een exemplaar neerleggen, dan zou zij het bestellen voor eventueel geïnteresseerde klanten. Ze wilde er dan wel een blurb  bij en liet een paar voorbeelden zien van andere lokale helden die een boekjes hadden gemaakt: een A4-tje met wat extra informatie.

Blurb ken ik als een literair tijdschrift van vroeger, waar Simon Vinkenoog aan werkte, maar oorspronkelijk is het een promodingetje bij een creatief werk. Inmiddels is er ook een platform wat zo heet waar je zelf boeken kan maken.Dat heb ik gemaakt en inmiddels samengevoegd met de Errata en een extra gedicht, in handschrift.

Als je het boekje hebt gekocht zonder blurb kan je het hier donwloaden en uitprinten. Mij lukt het nu even niet er een goeie print van te maken maar dat ligt vast aan mij, en het late uur. Op het scherm ziet het er in ieder geval mooi uit.

De foto boven dit artikel is overigens niet genomen in de officiële boekwinkel maar in de tabaks-/gift- en boekenshop Cigo Peperzak. Mark & Georges (vader en zoon) Peperzak waren zo vriendelijk mijn boekje een topplek in de winkel te geven, tussen twee prachtig toepasselijke titels en boven Saskia Noort. Wat wil een mens meer?

Bestel moar bestel moar bestel moar

Palescue: Weg is altijd ergens, Titel 2, Verzameling uit de gele ordner 

ISBN: 978-94-022-2944-8.

Prijs: € 15,99 (inclusief verzendkosten, via Uitgeverij Boekscout, 2016)

Afgelopen zomer zijn ook losse gedichten gepubliceerd in verzamelbundels:
  • Zomerse poëzie, uitgeverij Heimdall ISBN: 978-94-91883-61-3. Publicatiedatum: 17 juli 2016; Verzamelbundel, e-book, Op het strand
  • Po-e-zine, No.13, juni 2016: 5 gedichten Over de bergen; Ruimte; Loos; December daargelaten; Geometrie-Soms; + tekening: Bo wie.
  • Poemtata, Bundel No.8, juni 2016 ‘Alles in Woordenland’; Ruimte

zomerse-poezie_cover

Aan de zomer

Aan de zomer

Deze zomer heb ik vooral veel niet gedaan. Grootse plannen waar weinig van terecht is gekomen, nieuwe wegen die ik links liet liggen. Toch is er wel het een en ander gebeurd. Meer dan ik dacht. Zo was ik vergeten dat ik mee heb gewerkt aan een verzamelbundel:

Beste Cees,

We hebben elkaar onlangs in Amersfoort gesproken tijdens de presentatie van Poëtisch Eemland.

We brengen binnenkort als experiment een e-book met poëzie uit. De bundel heet Zomerse poëzie, kost 2,5 euro en is een verkapt protest tegen de hoge handelskorting die boekhandels krijgen bij gedrukte boeken. Maar liefst 42 procent. Uitgever en auteur moeten het na aftrek van kosten met 15 procent doen.

Ik heb nog ruimte voor een zomers gedicht van je, als je geïnteresseerd hebt.

Hoor het graag.

 

Hub Dohmen
Uitgeverij Heimdall

Eigenlijk wist ik me deze mail nog wel te herinneren en ook dat ik wat heb teruggestuurd. Maar dat er inderdaad een e-boek is uitgekomen was me ontgaan. Terwijl ik toch een kortingscode had ontvangen om het boekje gratis te kunnen downloaden. Zonet heb ik dus netjes betaald om mijn eigen gedicht terug te zien. En de andere 48 pagina’s.

Het ziet er mooi uit. Telkens één bladzij gedicht naast een pagina beeld. In mijn geval het gedicht ‘Op het strand’ en de tekening die ik vaak als profielfoto gebruik. Daarom hierbij de link om voor een knaak een mooi aandenken aan de zomer van ’16 te downloaden.

Anemarie Estor geeft een cadeautje

Ze heet Annemarie Estor, en niet Oster, dat is een Nederlandse mevrouw. Estor is een Vlaamse, een hele madam, gelauwerd dichter, schrijver en eeuwig student, tegenwoordig in het Arabisch.

Het Vlaams is te horen als je haar leest. Dat bedoel ik positief, Vlaams is het Nederlands zoals God bedoeld heeft en Annemarie Estor geeft een gratis trip van haar mooie taal weg: Tafoukt, heet het en de tekening bij dit stukje is de voorpagina. Tafoukt klinkt Arabisch ja, Marrokkaans,  en ook dat is te horen als je het leest.

“Verzen om in te bijten” is de ondertitel van haar website, en ze schrijft prachtige gedichten, maar haar teksten zijn om te drinken, nee, om gulzig naar binnen te klokken. Ad fundum. Het is fantastisch, dope – zowel in straattaal als in de betekenis van hallucinerend, het is…:

De aluminiumhuishoudproductenkoopman begon heel zijn koopwaar uit te stallen,
van vergiet tot vlamverdeler, bovenop een zandberg, en de potten en pannen glommen magisch tegen de bubbliciousroze Toubkal. En toen knalde zijn blik als een donderbus mijn onderbuik in.

Tafoukt_titelpaginaVan die zinnen dus, van die woorden. en meer. En dat geeft ze ons zomaar cadeau, het is zomaar gratisch en printvriendelijk te downloaden van haar website. Er is nog veel meer, daar: gedichten, artikelen, essays…

Wat doe je hier nog? Hup – klik en lees.

Manu Scriptu

Manu Scriptu

Wil je ook zo’n manuscript in huis, bij voorbeeld aan de muur?

Dat kan.

Handgeschreven met inkt op speciaal papier, gedateerd en gesigneerd, ingelijst naar wens en thuisbezorgd vanaf € 10,-

En natuurlijk kan het ook een ander gedicht zijn. Dit is een voorbeeld. Neem hier contact op voor alle wensen en mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld een illustratie. Van dit gedicht zie je hier de uitgetypte versie met een tekening, ook van Palescue.

December...Manuscript_lijst

 

 

DigiTaal

DigiTaal

DigiTaal

Kaartjes werden uitgedeeld, met de uitnodiging vier regels te schrijven op het thema ‘computer’.

In café De Bolle Boel te Eindhoven, zondag 19 juni 2016 bij de presentatie van Po-E-Zine No.13.

OVER “OVER ‘OVER DE BERGEN’”

OVER “OVER ‘OVER DE BERGEN’”

Aanbert@hetliterairemagazien.nl

Van: I.P@Fisher.nl

Onderwerp: Bijdrage themanummer

Beste Bert,

Graag voldoe ik aan je verzoek om een bijdrage te leveren over Palescue aan het themanummer Liederen. Zoals je wellicht weet ben ik geen fan van de man, maar sinds mijn aanstelling als hoogleraar is beëindigd, is de vergoeding mij zeer welkom en, inderdaad, ik ben een van de weinigen ‘in het veld’ die ’s mans werk goed kennen. Vaak genoemd, nauwelijks verkopend… En terecht, hij is nauwelijks te volgen , maar dat is mijn mening – en ik heb mijn persoonlijke voorkeuren niet laten meespelen bij het schrijven van dit artikel.

Komt ’ie. O, en als je een betere titel weet, be my guest.

Bijlage: ‘OVER OVER DE BERGEN’een lied van Palescue– I.P.Fisher

Overdebergen_type
Typoscript. Klik op de link hierboven  voor een pdf van de tekst

[gedicht in kader]

Wanneer eindigt een gedicht en begint een lied? In zijn laatste bundel – Uit Liefde voor G. – begeeft Palescue zich aan beide zijden van de grens, en vaak nog in één en dezelfde tekst. Dubbelzinnigheid is een Leitmotiv voor deze dichter. In de tekst “Over de bergen” krijgt die voor het eerst een politieke dimensie. Of moeten we alles nog eens teruglezen en heeft de hermeneutische bard altijd al iets anders bedoeld met zijn ‘taalsmeedwerk’?

De dubbelzinnigheid begint al bij de titel. “Over de bergen” is volgens het onderschrift geïnspireerd op “‘Behind the mountains, a refugee song.” Dat werpt meteen de vraag op waarom het lied niet Achter de bergen heet. Met de titel ‘Over de bergen’ krijgt het lied, naast de oorspronkelijke betekenis – ‘over de bergen heen’ – ook een algemene duiding: een tekst over bergen. Het zal hier gaan over de feitelijke bergen waar de vluchteling overheen moet, en over bergen als metafoor voor moeilijkheden in het leven.

In een e-mail[i] vertelt Palescue de anekdote achter, op zijn minst een deel van, de tekst. Op 26 februari 2016 woonde hij een concert bij van Baboek-O-Doestan en sprak in de pauze met voorman Baboek Amiri, de schrijver van het lied ‘Behind the mountains[ii]’. Daarin wordt overigens, behoudens wat ad-lib, geen tekst gezongen.

Ze spraken over het lied en de vluchtelingenproblematiek. Baboek zei toen dat mensen al duizenden jaren migreren: “dan slaan ze elkaar eerst de hersens in om vervolgens met elkaar te trouwen en kinderen te maken, het is altijd zo geweest.” Zoals Baboek ook tijdens oncerten vertelt gaat het lied over zijn vlucht naar Turkije, door de bergen. De gids sprak geen Farsi en de vluchtelingen geen Koerdisch. Als de vluchtelingen vroegen even te pauzeren, maakte de gids telkens duidelijk dat ze na de volgende berg zouden pauzeren. “Nee, de volgende – alleen die ene berg nog over.”

Ook goed om te weten is dat Palescue, toen hij ‘Over de bergen’ schreef, het boek las van kunsthistoricus, filosoof en dichter Maarten Doorman, ‘De navel van Daphne’.[iii] Vanwege de daarin geponeerde stelling dat het Rijksmuseum moet worden gesloten trok het boek de nodige aandacht maar het gaat vooral, zoals de ondertitel aangeeft ‘over kunst en engagement.’ Doorman stelt dat de kunst sinds de Romantiek, toen de kunst zogezegd ‘autonoom’ werd, zich afzet tegen de maatschappij. Dat doet ze echter vooral binnen de wereld van de geïnstitutionaliseerde kunst, waar ze tegelijkertijd afhankelijk van is.

Naast deze paradox speelt ook de paradox dat kunst die zonder meer politiek of maatschappelijk is, geen kunst is, of hooguit slechte kunst. Tegelijkertijd kan toonaangevende kunst nooit los van de maatschappelijke ontwikkelingen gezien worden. Naast de autonome ‘l’art pour l’art’ is kunst óók altijd gemaakt in een maatschappelijke context. Kunst moet het hebben van de dubbelzinnigheid in haar verhouding met de maatschappelijke werkelijkheid maar het blijft, in de optiek van Doorman, een “moeizaam huwelijk”:[iv] Hieronder zullen we  zien hoe beide werkelijkheden samenkomen in één gedicht.

Vorm

Of is het een lied? Voor een gedicht is het aan de lange kant, zeker voor Palescue, die doorgaans met drie of vier kwatrijnen klaar is. Hier zien we een tekst in couplet- en refreinvorm, om precies te zijn: zesenveertig regels in vijf coupletten en drie refreinen. Voor een conventionele songtekst zijn dat een paar refreinen te weinig. En daarmee lijkt de tekst beter te classificeren als een vormvrij gedicht.

Toch onttrekt de tekst zich niet helemaal aan de eenheid van vorm. Bindend is bijvoorbeeld de figuur van ‘Joost’ die in elk couplet voorkomt. We zullen zien dat hij, naast de persoon uit de zegswijze ‘Joost mag het weten’ telkens een andere rol speelt. Daarnaast zien we in elk refrein de ‘lieve lappenpop’ terugkomen en de strofe ‘alleen die ene berg nog over’.

De tekst heeft zijn eigen dynamiek waarin het refrein zich tussen de tekst doorslingert – na het eerste couplet, na het derde en aan het slot na het vijfde couplet.

In de dynamiek van het lied kunnen we twee cesuren onderscheiden. De eerste knip is na het tweede couplet. De eerste twee coupletten beginnen met ‘Joost’; in het derde vers is de ik-persoon aan het woord. De tweede knip is te zien na het vierde couplet: het laatste vers en het afsluitend refrein zijn zowel in ritme als inhoudelijk afwijkend.

De regel ‘het is altijd zo geweest’ uit het gesprek tussen Palescue en Baboek lezen we, als in een ballade, aan het eind van de coupletten 1, 2 en 3. In het vierde couplet komt alleen Joost terug van de repeterende regels, en wel in de oorspronkelijke zegswijze, Joost mag het weten. Het vierde couplet kent geen refrein. Het vijfde wel, en daarin zit deze regel aan het slot van het refrein. Als voleinding van ‘de vlucht’ en het gehele tekstwerk kondigt het tegelijkertijd het einde van de ‘hoofdpersonen’ aan: dan zijn we er geweest.

Joost (1) Zwagerman

Joost mocht het weten, over de stilte van het licht

de muziek van de lucht, dans over onderaards water

gevangen in dit huis…

 

Nachtegalen2.jpg
Nachtegalen, door (c) Palescue, 2016

De eerste keer dat we Joost tegenkomen is direct het eerste woord van Over de bergen. Joost mag het weten, nee, hij mocht het weten. Want Joost is dood. Ongeveer een week voordat zijn boek ‘Over de stilte van het licht[v]’ uitkwam maakte Joost Zwagerman op 8 september 2015 zelf een einde van zijn leven. Hij is 51 jaar geworden en was een half jaar ouder dan Palescue.

 

De ‘stilte van licht’ kan gelden voor beeldende kunst, maar de dichter zet hier meteen geluid naast. Een gedicht is immers niet louter beeldend, poëzie is niet alleen een kunst van het oog, maar ook van oor en mond. Poëzie is, zo valt te verdedigen, een overgang van taal naar muziek.

In de eerste twee regels benoemt Palescue hier de vier elementen: vuur (licht), lucht, aarde en water. Joost mag dan dood zijn, hij danst hier als een goedgemutste Jezus over het water. Het water, symbool voor het onderbewuste, wordt hier onderaards: stilstaand water, onzichtbaar, een reservoir wellicht, want “gevangen in dit huis.” Deze strofe wijst vooruit naar het vierde en vijfde couplet waarin sprake is van ‘holen’ (huizen) en een gevangenis.

Tegelijkertijd valt het gedicht zelf te beschouwen als bouwwerk, het tijdelijke huis van de taal. In andere gedichten, bij voorbeeld het gedicht ‘Ruimte’ uit dezelfde bundel wordt dit gegeven ook uitgewerkt. Maar ook hier zien we in het tweede couplet een ‘muur’ voorkomen.

gevangen in dit huis – je mening is gestolen adem

Een merkwaardige wending, tenzij we aannemen dat hier iemand gevangen zit vanwege een mening, die niet eens persoonlijk is, maar een verwoording ‘in gestolen adem.’ Heeft Palescue het hier tegen Joost Zwagerman? Gezien het gebruik van ‘je’ in zijn eerdere werk is hier eerder sprake van de algemene ‘je’ die heel goed ook op de ik-figuur, de lappenpop en/of de lezer kan slaan.

Van groter belang dan de je-figuur is de wisseling in perspectief die hierna komt. De buitenwereld komt binnen, en buiten is het niet pluis:

terwijl lemen voeten leren te marcheren –

het lijken nog schepen ver weg op zee

gewoon een vuiltje aan de lucht. Geen probleem

het is altijd zo geweest

Een reus op lemen voeten leert marcheren. In de zegswijze is de reus schijnbaar sterk, maar uiteindelijk zwak. Toch wordt hier een omineus beeld geschapen van een buitenwereld waarin de fascistische horden opdoemen aan de horizon. Er kan misschien nog luchtig over gedaan worden, maar we kunnen niet volhouden dat er geen vuiltje aan de lucht is.

je hebt knopen als ogen lieve lappenpop

stil maar, nog even dan zijn we uitgestorven

alleen die ene berg nog over

Het eerste refrein. Ook hier blijkt Palescue meer dan alleen een geëngageerd lied over de vluchtelingencrisis te maken. Blijkbaar staat in zijn visie de hele mensheid op punt van uitsterven, of in ieder geval de Joosten van deze wereld.

Het woord ‘uitgestorven’ zou, taalkundig gezien, ook kunnen betekenen dat er een einde komt aan het sterven, dat we klaar zijn met sterven, zoals we zien in ‘uitbehandeld’ of ‘uitgewerkt’, een betekenis die min of meer geboekstaafd wordt door de context. Kan een lappenpop ook uitsterven?

Bo wie6
‘Bo wie?’ door Palescue (2013)

Er zijn vaker poppen met knopen als ogen gemaakt maar, zeker gezien het volgende couplet, lijkt de inspiratie afkomstig uit de laatste twee films van David Bowie. In de video’s van “Lazarus” en “Blackstar” verschijnt hij met een blinddoek waarop knopen als ogen zijn genaaid. Beide films kwamen eind 2015 uit en baarden opzien omdat Bowie, na dertien jaar stilte, weer van zich liet horen. Bovendien is het weliswaar niet vreemd dat iemand van tegen de zeventig zich bezighoudt met de eindigheid van het leven, maar in deze muziek en bijbehorende films was hij zeldzaam somber en mysterieus.[vi]

We weten dat Palescue na het zien van de video’s de cd bestelde. Tegen de tijd dat de post de geluidsdrager afleverde, was de maker al ruim een week dood en het album te horen op internet. Enkele dagen voordat zijn zwanenzang als compleet album uitkwam verliet Bowie op 10 januari 2016 planeet Aarde ten gevolge van kanker.

 

Joost (2) Jones

Joost kon het weten, de zwarte ster liet ons dansen

en kussen of de muur dan vallen zou

over de schreef. Alles verbrandt aan de lucht

De tweede Joost in het gedicht is dus ook dood en heet Jones, David Robert Jones, beter Joost als David Bowie (1947-2016). Er zijn natuurlijk meer ‘zwarte sterren’ zijn die ons hebben laten dansen (James Brown, het hele Motown-label en Prince, om maar wat te noemen), maar deze strofe lijkt duidelijk een verwijzing naar zowel het ‘Blackstar’-album als de hitsingle ‘Let’s Dance.’

De volgende regel is duidelijk een parafrase op de song ‘Heroes’ van Bowie, uit de tijd dat

Bowie-Blackstar-film-770
Knopen als ogen in Blackstar

Palescue waarschijnlijk voor het eerst zijn muziek hoorde[vii]. In ‘Heroes’ is het de Berlijnse muur, die twaalf jaar na Bowie’s song uiteindelijk viel. In dit lied valt de muur in het enjambement, struikelt ‘over de schreef’ tussen de strofes.

In zijn verhaal ‘Slang[viii]’ noemt Palescue Bowie als jeugdheld. ‘Slang’ gaat over de manier waarop Palescue leerde lezen en schrijven. Dit kan heel goed meespelen in dit enjambement wat ook een volgende wending in de tekst markeert: ‘over het schrijven’ wordt hier – naar de letter – ‘over de schreef”

(…) Alles verbrandt aan de lucht

maar vandaag zag ik vlaggen strak staan in de wind

meer dan voorheen

en men hing varkens in de bomen

geen probleem, het is altijd zo geweest

Dat alles verbrandt aan de lucht is een waarheid als een koe, je kan het ‘over de schreef’ noemen als dat wordt gezegd in een gedicht omdat het te direct zou zijn. Tegelijkertijd is het een andere manier om te zeggen dat alles voorbij gaat en toch hetzelfde blijft.

De zin gaat verder in een enjambement dat zowel ritmisch als in klanken rijmt op dezelfde strofe uit het vorige couplet: ‘over de schreef’ // ‘meer dan voorheen’.

Dan wordt in de volgende strofen verwezen naar gebeurtenissen uit begin 2016. In Nederland werden daadwerkelijk kadavers van varkens opgehangen in bomen, als protest tegen de komst van opvangcentra voor vluchtelingen. Ook waren er demonstraties van de anti-moslimbeweging Pegida[ix] waarbij deelnemers roze kindermaskers van varkenskoppen droegen. Het beeld van vlaggen en varkenskoppen is poëtisch sterk. Toch is het een directe weergave van de werkelijkheid en het lijkt, aldus vormgegeven, een bijna middeleeuws tafereel. Zo is het, inderdaad, altijd geweest.

Gerard Rooijakkers, oud-hoogleraar Nederlandse etnologie, zegt[x] dat al sinds de zeventiende eeuw dode dieren worden neergelegd om te intimideren.. „Rituele taal” noemt hij het, afkomstig uit het eeuwenoude plattelandsrepertoire. De betekenis van het varken bij azc-protest is dubbel ‘vuil’, zegt Rooijakkers. Voor moslims is het varken onrein.

Joost (3) Nuh

ik zag een leger éénpersoons eilanden overspoeld

door een tsunami van schuim en witte trots

veel mensen hadden geen zwemvest

en veel zwemvesten zijn nep

Joost heeft het geweten en bouwde zijn Ark

de eerste was nog gratis, nu volgeboekt met VIP’s

maar goed, het is altijd zo geweest

De cesuur. In het derde en vierde couplet richt Palescue (‘ik’) zich rechtstreeks tot de lezer in een commentaar op de hedendaagse maatschappij en hoe die reageert op de vluchtelingencrisis. Tegenover de marcherende horden ziet hij ‘een leger’ van losse individuen onder de voet gelopen worden. Het gebruik van het woord ‘tsunami’ wordt hier gekanteld, gekeerd tegen het beeld zoals Geert Wilders[xi] het vaak gebruikt: geen vloedgolf mohammedanen maar ‘een tsunami van schuim en witte trots’, een dichterlijke typering van het schuim der natie dat achter een racistische leider aanloopt.

morgenstern_prz
Michael Morgenstern: Unpresidential Presidents (for the Chronicle Review)

Ook de zwemvesten komen rechtstreeks uit het nieuws. In de kranten uit die tijd stonden foto’s van bergen oranje zwemvesten, achtergelaten op de stranden van Griekse eilanden door vluchtelingen die de oversteek vanuit Turkije hadden gemaakt. In Turkije kochten ze zwemvesten die expres zo slecht waren gemaakt dat ze geen drijfvermogen hadden[xii].

We komen nu pas, in de vijfde regel van het couplet, de derde Joost tegen. De gekantelde tsunami wordt letterlijk De Zondvloed, want deze keer staat de figuur natuurlijk voor Noach of Nuh (Noeh) uit de Bijbel, respectievelijk Koran[xiii], de profeet die door God werd gemaand zijn volk te waarschuwen en een boot (de Ark) te bouwen om het leven op aarde te redden. In een terugkoppeling naar het heden constateert Palescue cynisch dat ‘tickets’ voor een hedendaagse Ark alleen voor de geprivilegieerden bereikbaar zouden zijn om het couplet, inmiddels bijna hoorbaar zuchtend, te besluiten dat het altijd zo is geweest.

(…) en je mond is dubbel gestikt (…)

In het tweede refrein lijkt, met de verwijzing naar Noach, het ‘uitsterven’ de hele mensheid te treffen. Het beeld wordt almaar somberder. De extra regel in het refrein lijkt te zeggen dat het individu, de ‘Gutmensch’ van goede wil, de mond is gesnoerd en – dubbel – dat het individu verstikt is in de stampede van de geschiedenis. Het kan ook wijzen op een dubbele betekenis voor de lappenpop: als mens zijn we een speelbal op de golven van de geschiedenis, als lezer zijn we het speeltje van de schrijver.

Joost (4) dejos

ze slapen en spelen in holen

oog om oog duim voor duim voor een extra leven

doof en blind zonder mobiel waar

werkelijk is wat WiFi op het scherm laadt

weet je, er zijn mensen die sterven om te doden

maar misschien kan je nog beter

leven om te baren – Joost mag het weten

In het vierde couplet geeft Palescue bijna ondubbelzinnig weer hoe mensen, als individuen op hun ‘éénpersoons eilanden’, reageren op de buitenwereld. Ze bemoeien zich vooral niet actief met de maatschappelijke werkelijkheid, nee: ‘ze slapen en spelen’, sluiten zich op en leven louter online. In de werkelijkheid van het web is de waarheid versplinterd: alles is even waar en zo is niets waar. De reële werkelijkheid, wordt in de beleving van Palescue, buitenspel gezet.

Alhoewel dichters al eerder sms-taal in hun werk hebben gebruikt, is dit voor mij de eerste keer dat ik wifi genoemd zie worden in een Nederlandstalig gedicht.

Met ‘weet je’ richt Palescue zich dan rechtstreeks tot de lezer, maar niet met een ferme uitspraak. Met ‘weet je’ begint een vraag die niet alleen retorisch kan worden opgevat. De vraag is niet minder dan die naar de keuze tussen leven en dood.

De uitspraak ‘er zijn mensen die sterven om te doden’ doet denken aan de Engelse

Morgenstern_twitter wars
Michael Morgenstern: Twitter Wars (for The Chronicle of Higher Education)

zegswijze om iets graag te willen: dying to… , maar natuurlijk ook aan een zelfmoordaanslag.

 

De dichter maakt hier de tegensteling ‘sterven om te doden’ versus ‘leven om te baren.’ Tegenover de lust om te doden en gedood te worden wordt hier de keuze geplaatst voor het leven en het voortleven in nageslacht. De biologische functie van leven is immers reproductie[xiv] maar in een maatschappij die met uitsterven wordt bedreigd, is het ‘maken’ van kinderen geen vanzelfsprekendheid meer.

Palescue, zelf kinderloos gebleven, maakt de keuze niet. Hij veroordeelt de moordenaars niet en suggereert dat het misschien beter is om de natuurlijke bevolkingsgroei te omarmen. Zelf heeft hij schijnbaar geen idee wat het beste is, hij laat de keuze aan ‘Joost’.

Deze vierde keer wordt de Joost-figuur gebruikt in de gewone betekenis uit het spreekwoord. Alhoewel, gewoon… etymologisch is de spreekwoordelijke Joost een aanduiding voor de duivel, de uit het Portugees verbasterde dejos van ‘de wilden.’[xv]. En natuurlijk is het een duivelse keuze om te moeten kiezen tegen het leven.

Joost (5) coda

in de luwte van het sterfhuis

in het midden van de nacht

als de bewakers dronken zijn

steel ik de sleutels van de kast

Het vijfde couplet vormt, met het afsluitend refrein, de coda van ‘Over de bergen.’ Het huis uit het eerste couplet is een sterfhuis geworden en de dichter lijkt er klaar mee. Hij laat het gedicht ontsporen in een ‘dronken’ roes.

Het begint met vier regels in staccato ritme met –bijna- een eindrijm, wat doet denken aan een volksliedje. Die kast zal, gezien het vervolg, de wapenkast van de gevangenis zijn, maar kan heel goed ook weer een referentie zijn aan David Bowie’s Lazarus. Deze afscheidsvideo opent met een beeld van een antieke kledingkast waarin hij aan het eind van het nummer verdwijnt. Een kledingkast als uit ‘Alice in Wonderland,’ de poort naar en/of bergplaats voor een geheime wereld.

we eten kogels, drinken messen en ik zeg

Joost mag er niets van weten maar

dan hebben we dat maar vast gehad

 

stil maar lieve lappenpop

met je oren van katoen

alleen die ene berg nog over

dan zijn we er geweest

Na de eerste vier strofen wordt een ander ritme opgepakt als de ik-figuur aan het woord komt. Joost mag het niet weten, sterker: hij mag niets weten. Zijn rol lijkt hier die van bewaker te zijn.

De wapens worden ‘gegeten’, in een binnenrijm op ‘weten.’ Het lijkt erop dat Palescue wil zeggen dat het gebruik van wapens wordt verinnerlijkt. Er is een besef van onontkoombaar geweld waarin moet worden berust: ‘dan hebben we dat maar vast gehad’. Deze scene kan echter ook begrepen worden in een suïcidale duiding, een gemeenschappelijke zelfmoord bovendien, waar de duivel/god Joost beter niets vanaf kan weten. Al met al lijkt Palescue met dit gedicht te willen zeggen: de dood, en wellicht het einde der tijden is nabij – en dat doen we als mensheid zelf.”

In het derde en laatste refrein krijgt de ‘lieve lappenpop’ oren. Hij (zij/het) heeft nu ogen, oren en een mond en kan, als de drie aapjes en de mens ‘horen, zien en zwijgen’. Hij kan niet spreken. Fysiek blijft het een normale lappenpop, gemaakt van katoen. Met ‘oren van katoen’ citeert Palescue nu de dichter Gerrit Komrij[xvi]. In de bundel Alles onecht (1984) vat Komrij zijn poëtica kernachtig samen in de regel ‘Poëzie is iemand de oren vullen met poetskatoen.’

Naast een keuze uit de gedichten bevat Alles onecht teksten over poëzie. Voor Komrij betekenen zijn gedichten niets persoonlijks, de betekenis is slechts die van het gedicht zelf – l’art pour l’art. Dit heeft Palescue zich altijd ter harte genomen. De suïcide in dit gedicht is dan ook vooral literair te duiden. Of, zoals Komrij[xvii] zegt: “het liefst zie ik ’n gedicht zo’n beetje als een zelfmoordcommando, een poëtische kamikaze. De vorm brengt de inhoud om. De laatste regel is de doodsteek.”

morgenstern_zwm_for zwierciadlo
Michael Morgenstern: For Zwierciadlo

 

En dat is precies wat we hier zien gebeuren. Het repeterende ‘het is altijd zo geweest’ wordt in de laatste regel onontkoombaar, want ‘dan zijn we er geweest.’

Conclusie

‘Over de bergen’ is één van de weinige lange ballades van Palescue en, vooralsnog, zijn enige tekst met zoveel referenties aan maatschappelijke ontwikkelingen en een visie daarop. Toch, hoe vol het gedicht ook zit met krantenkoppen, het behoudt zijn literaire waarde. Kennis van de politieke en maatschappelijke onrust rond de vluchtelingencrisis, de dood van Joost Zwagerman en David Bowie geven extra lagen aan de tekst. De tekst verliest echter nergens de dubbelzinnigheid van het autonome kunstwerk. De actualiteiten worden vervlochten en verdraaid in een tekst waarin het algemeen menselijke en het algemeen dichterlijke het laatste woord hebben.


I.P. Fisher is voormalig hoogleraar aan de Parkstadt Universität van Humbold.

NOTEN

[i] Met dank aan Henk Duurkoop voor het gebruik van zijn archief waaruit hij t.z.t. een biografie distilleert.

[ii] CD: Restless ©2013; www.babakodoestan.com. Behind the mountains is ook te zien en te horen op YouTube in een registratie door omroep IKON: https://www.youtube.com/watch?v=oilAe3i0GM4.

[iii] Maarten Doorman, De navel van Daphne, over kunst en engagement (Uitgeverij Bert Bakker, 2016).

[iv] ibid., p. 145

[v] Joost Zwagerman, De stilte van het licht, schoonheid en onbehagen in de kunst (Singel Uitgeverijen, 2015).

[vi] Zie bijvoorbeeld de recensie in The Guardian van 7 januari 2016.

[vii] Bowie/Eno, Heroes (1977) hieruit: “I, I can remember (I remember) / Standing, by the wall (by the wall) / And the guns shot above our heads (over our heads) / And we kissed, / as though nothing could fall (nothing could fall)”

[viii] Palescue’s Kolom, 28 december 2014

[ix] Patriotische Europäer gegen die Islamisierung des Abendlandes (PEGIDA), protestbeweging van Duitse oorsprong.

[x] NRC, 27 februari 2016.

[xi] Geert Wilders (Venlo, 1963) stapte in 2004 uit de VVD Tweede Kamerfractie als Groep Wilders, sinds 2006 PVV (Partij voor de Vrijheid), waarvan hij enig lid is.

[xii] zie bijvoorbeeld De Volksrant, 6 januari 2016

[xiii] Bijbel: Genesis 5; Koran: Soera 71 Nuh (Noach) – نوح

[xiv] zie bij voorbeeld: Richard Dawkins, The selfish gene (1976).

[xv] Zie onzetaal.nl: Die benaming gaat terug op het Javaanse woord joos, zo vermelden het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) en het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT, deel VIII, 1926). Dit joos was een aanduiding voor een Chinese godheid of de afbeelding daarvan. Het “door de Hollanders op Java gehoorde joos (waarvan zij joosje en joost maakten)” – aldus het WNT – is een verkorting van dejos, dat is ontleend aan het Portugese deus ‘god’. Later werd joos in verband gebracht met de al bestaande voornaam Joost. Ook F.A. Stoett (Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden) ziet deze ontwikkeling, maar houdt daarnaast de mogelijkheid open dat Joost tóch oorspronkelijk de gewone eigennaam is. (…) Het Groot Uitdrukkingenwoordenboek voegt hier nog aan toe: “De god van de ene religie is vaak de duivel van de andere, en zo kreeg Joost bij ons de betekenis ‘duivel’.”

[xv] Overigens heeft Komrij zelf de titel “Over de bergen” gebruikt voor een roman (De Arbeiderspers, 1990) waarin ik geen enkele connectie met Palescue’s gedicht zie.


Van: bert@hetliterairemagazien.nl

Aan: I.P@Fisher.nl

Onderwerp: Bijdrage themanummer Liederen

Beste Isma’il,

Dank voor je bijdrage. Het honorarium is inmiddels naar je overgemaakt.

Aangezien je ongeveer de helft van het artikel al eens eerder hebt gepubliceerd in vrijwel ongewijzigde vorm zal je er begrip voor hebben dat we je de helft van het bedrag voor een originele bijdrage besluiten toe te kennen.

Met vriendelijke groet,

Bert


Van: I.P@Fisher.nl

Aan: bert@hetliterairemagazien.nl

Onderwerp: Bijdrage themanummer Liederen

Bert,

Nee, daar heb ik geen begrip voor. In een eerder artikel ging het alleen over de invloed van Komrij, Bowie en Zwagerman maar toen dat werd gepubliceerd waren de laatste twee nog niet eens dood en had Palescue dat gedicht nog niet geschreven.

Vriendelijk doch dringend verzoek ik je het resterende geld binnen twee weken over te maken. Helaas zie ik me anders genoodzaakt minder vriendelijk te worden.

grt.,I.


 

Ruimte

Ruimte

 

Ruimte_manuscript_0001

Het is weer een gedicht geworden. Voor de meester.

De eerste aanzet schreef ik tijdens een jazzconcert, afgelopen zaterdag. De muziek was vrolijk genoeg. Nee, aan het Bart Lust Quintet heeft het niet gelegen dat het over sombere zaken gaat. Wel hielp het misschien de muzikale invalshoek die er in zit duidelijker te maken. Pas toen dat gebeurde, bij een latere versie, kwam ik er eigenlijk op, het gedicht op te dragen.

De foto vond ik op een historisch WordPress blog. Hier zie je hoe het lijk van de 18-jarige Peter Fechter  wordt weggedragen door Oost-Duitse soldaten.

 

Uit het blog:

Op 17 augustus 1962, ongeveer één jaar na de bouw van de muur, besluit de 18 jarige
Peter Fechter, om samen met zijn vriend Helmut Kulbeik te vluchten naar West-Berlijn. Om 14.10 knippen ze het eerste hekwerk door. Bij de Zimmerstrasse, in de buurt van Checkpoint Charlie, renden ze naar de Muur toe. Als ze vlak bij de muur fechter2-1zijn worden ze ontdekt en klinken er schoten.

Beide vrienden staan bij de muur. Helmut Kulbeik klimt over de Muur. Peter Fechter twijfelt en blijft nog staan. Schoten weerklinken….Hij wordt neer geschoten. Enkele kogels doorboren zijn lichaam. De Oost-Duitse grenswachters laten Peter hevig bloedend liggen.

Met een lichtelijk andere betekenis kwam de muur al voor in een vorige tekst, en natuurlijk in de song ‘Heroes’. De Berlijnse muur heb ik nog gekend, ik heb er overheen gekeken en ben er onderdoor gereden met de U-Bahn – langs verlaten stations waarop een enkele VoPo met machinegeweer stond. Ik ben ook door Checkpoint Charlie geweest en heb ook door de Zimmerstraße gelopen. Na 1989 heb ik ook het museum in de Normannenstraße, het voormalige hoofdkwartier van de Stasi, bezocht.  Bizar. Maar goed, dat is een ander verhaal.

Ruimte


Voor Davy Jones

Je tast langs een muur tot waar je door kan –

een deur – van buiten naar binnen of binnenstebuiten –

wat kan het je schelen en hoe erg is dat?

De loze kreten doen de ribben zeer

 

Het maakt niet uit of je nog stopt met roken

de laatste rust staat genoteerd

hoop alleen dat je het einde

van de bladzij haalt – je weet maar nooit

 

En als nog een lied rest

om het refrein in op te nemen

zijn we dit – zo ooit geweten nu vergeten

voor wie of wat wanneer ook weer te spelen

 

Je schuld aan de dood is levensgroot

en aflossing volgt na de solo. Je gaat

door een deur en tast langs een muur in het duister

tot ook de muur verdwijnt en dan de vloer

 

Palescue, 16-18jan’16 (v.3)

 

December Daargelaten

December Daargelaten

def KRST_2 DSC_1903_tekening

December daargelaten

 

Vergeten pagina’s de laatste spraken af

gezegd de kortste dagen om doorheen te slapen

de nacht bij lange na om niet te waken

 

Nog steeds december duurt maar door en door

dit jaar gaat uur U maar moeizaam teloor

uitgetelde zevenkwarts opgewonden af te tikken

 

In maandvallen van nul uur nul

nul één nul één op volg wanorde

de klok slaat nergens op – twaalf keer

 

We knallen kurken zoenen korte lontjes

en weten weer hoe laat het is

en het beter anders want twee voor

 

De tijd dijt verder van ons weg

ze draait haar kolk om uit de fles

nog steeds niet meer december daargelaten

 

Palescue, december 15 / januari 16.

Dcemebr Daargelaten

 

 

 

Uit de bundelll

Uit de bundelll

Uit de bundel

Buiten de bundel

Nu dan het volgende:

Blauw glas wit licht koperdraad en kruit

 

Uit de oorlog gerommeld

Door de wanhoop schipperen

De Balk en Van Eenennaam

Zonder genade. Geschapen in dit huis

 

En zonder luchtsteun afgebombardeerd

– bajonet op ‘t geweer / boets op the grond –

Maar zijn wij wel met meer, meneer de president?

Gewoon, als het eropaan komt

 

Is politiek voortzetting met andere middelen

van het voortzetten met algemene middelen

om voor te zetten op, in het vooruit te zetten

algemeen gemiddelden van deze middelen

 

Aldus programt de Partij van de Buurt-

winkel voor Noord Oost Ons Pekwijk.

De klok en de kachel staan stil

in de straten van sosjale huurwoningen

 

Nieuwe oude nieuwe kleren wegen

in geperforeerde pedaalemmerzakken op de rol

van het bijkeukenplankje in een ouwe sok

“Zwatra – al tachtig jaar overhoekt in goudwerf”

 

Een loze ruimte met metselmortel ingeblikt. Zonder

Bom valt niet te ruilen, maak er maar wat van.

Spijker de troep in zes plankjes. Hang het op

een plek waar het eerste zonlicht valt

 

Steen over steen wordt het nog wat

Plaatjes vullen alle gaatjes

En eigenlijk is het één groot gat

Met een plaatje door het midden

 

Want wat anders

is die muur van u?

Hij staat, ziedaar twee ruimtes

En voor je het weet stond hier een huis.

 

 

*’Uit de bundelllll’ – hoor: Wilhelmina Kuttje jr. (door Janine van Elzakker) in Wim T. Schippers’ radioprogramma Ronflon

De foto’s zijn genomen van een tv-scherm waarop de film Tirza (2010) te zien is.

Niemandsdorp

Niemandsdorp

“Er is weinig romantisch aan mijn niemandsdorp, of het moest de romantiek zijn van de complete afwezigheid van romantiek.”
– uit: Villa Pouca: kroniek van een dorp – Gerrit Komrij (2008)

Het Dodeneiland_Arnold Bocklin 1880

Het citaat komt van de eerste pagina van het boek. De eerste zinnen zijn:

Villa Pouca heet mijn dorp. Als ‘geringe nederzetting’ zou je dat kunnen vertalen, als ‘nietige samenklontering’, als een ‘gehucht van niets’. Niemandsdorp noem ik het zelf graag.

In de laatste bladzijden vergelijkt Gerrit Komrij het uitzicht op ‘zijn’ dorp met Het Dodeneiland, het schilderij van Arnold Böcklin, wat hier staat afgebeeld en overigens één van de meest romantische, eigenlijk symbolistische, schilderijen die je kan bedenken.

Toch is het een aanrader. Ik vind het mooi hoe Komrij hier deze uitersten geloofwaardig rond breit en en passant een mysterieuze moord oplost. Mozaïekgewijs nog wel.

Er valt veel over Komrij te zeggen. Een tijd lang las ik alles wat hij schreef. Ik knipte zijn columns uit en ging naar zijn toneelstuk Het chemisch huwelijk. Prachtig vond ik het. In de jaren tachtig kwam hij een keer signeren in de Utrechtse Bijenkorf. Ik ging erheen, nam een getypt gedicht mee van mezelf. Dat was ‘Vox’, denk ik. Ik had rijen mensen verwacht maar er was niemand op de boekenafdeling. Behalve hij, gezeten achter een tafeltje, en ik. Geconfronteerd met een idool…zenuwachtig zocht ik snel het goedkoopste boekje om te laten signeren. Dat was het moment om mummelend het gedicht te overhandigen. Hij wiep er een blik op en zei: “Dankjewel…. leuk.” Vriendelijk, dat wel.

Toen begon hij romans te schrijven die ik nogal teleurstellend vond en verloor ik hem een beetje uit het oog. En toen ging ‘ie opeens dood. Hij was, en is een groot dichter. Geweldig rijmend zelfs, al zag hijzelf het anagram Ik Rijm Erg Rot in zijn naam.

Eigenlijk is de kroniek van Villa Pouca een verzameling anekdotes, columns die eerder verschenen in het NRC Handelsblad. Toch leest het als een roman, en als een gedicht. Sprankelend eenvoudig en toch telkens verrassend. Het zijn observaties over het wezen van een dorp. Daar weet hij best wat zinnigs over te zeggen. En over de dood, een moord, bureaucratie, de kerk en de Anjerrevolutie.

Tja, er valt veel over dorpen, en Komrij, te zeggen. Bij voorbeeld dat hij Gerrit heette, net als Achterberg en Kouwenaar. Conclusie: de grote jongens heten Gerrit.

Vox

 

Ik houd mijn kaken op elkaar

En heb mijn lippen weggeschoren

Ik heb gevraagd wanneer en waar

 

En woog daarna je woorden stuk

Voor stuk. Maar lichter nog dan

Postzegels vluchtten ze voor elk

 

Gewicht. Nooit heb ik één ervan

Hier terug gezien. Ze schijnen,

Zo schreef je, samen te zingen

 

En spinnenwebben te weven

Maar als je spreekt verdwijnen

Ze in het puntje van je tong.

Slang

Slang

ouroboros1Ik weet niet hoe lang het duurde voordat ik kon lezen maar ik zal nog niet lang geleefd hebben, en ik weet niet hoelang het leren duurde, het zal vrij kort geweest zijn. In mijn beleving leerden we de letters en konden meteen lezen.

Ik weet nog de letter S, daar had juf Osnabrugge een slang van getekend. Dat was grappig, vond ik, maar waarom schreef ze niet het hele woord? We leerden netjes schrijven in groene schriftjes met balken van lijnen, bijna een muziekschriftje. We kregen een blauwschrijvende doorzichtige Staedler Stick als wapen. We hadden een rode plastic letterdoos waar in vakjes de letters op dunne plastic blokjes waren verzameld. Uit de verzameling knutselden we in het deksel een kleinere verzameling en voilà, een woord. Slang.

Ik las alles wat ik zag en zag alles lezend. Ik beleefde alles als geschreven, dat wil zeggen, ik schreef wat er was, las het, en was wat ik las.

“Hij loopt het schoolplein op. Winnetou ziet in het midden een groepje meisjes staan. Links zitten anderen achter hun rijtje knikkers. Vier knikkers of twee bommen is

“Acht tegels, ja?”

Hij zegt: ”Ja.”

letterdoosIk zag de kinderen met hun spelletjes, maar ze deden het expres. Het was net zo menens als de grote mensen die ik zag met hun eigen spelletjes, onderling, en die met kinderen. Ze begrepen kinderen niet, niet echt, en snapten zeker niet dat ik hen wel begreep. Meestal. En de grote jongens op hun brommers en hun onzekere stoere spel met het gevaar. Ik las ze, en paste op.

Zo las ik de wereld en de boeken – die op papier en in mijn hoofd – vormden mijzelf, sleten mijn origineel uit tot dundruk pagina’s. En de wereld misvormde dapper mee in opvoeding en socialisatie. De volkomen ziel die ik had bij geboorte werd als een steen bewerkt. De stukken vlogen eraf. Er werd gebeiteld en gevijld. Water en zandstormen slepen vreemde vormen uit. Was ik lezend al bijna onzichtbaar voor de buitenwereld, in de binnenwereld vervaagde mijn oorspronkelijke zelf meer en meer. Steen verbrokkelt en spoelt weg.

En het werd later, ouder, en ik zag iedereen slagen die probeerde iemand, of op zijn minst iets te zijn. Ik las ze en schreef ze over, werd ook iemand, of iets, maar nooit lang. Dat is saai – net als sokken en ondergoed moet je dagelijks wisselen van personage. Dan blijven ze fris.

Op mijn zolderkamer hing een foto die Anton Corbijn had gemaakt, uit bowie_elephant manMuziekkrant Oor gehaald: David Bowie, de perfecte gentleman-ster met het telkens wisselende personae in bijpassende kostuums met alleen een lendendoek om, zoals hij speelde hij in het toneelstuk The Elephant Man, over een ernstig misvormde man.

Als een spons zoog ik de wereld op en lekte die in kleine plasjes terug op papier. Die werkelijkheid ‘in mijn eigen woorden’ bleek net zo echt als de rest. Fascinerend, maar eigenlijk heel logisch, want wat ik op papier zet is niet meer dan hergebruik. Mijn ‘Slang’ uit de letterdoos onderscheidt zich niet van een ander. Toch, de ingelezen woorden zijn verwerkt, vergist, en als ze worden teruggespuwd klinkt persoonlijkheid door in de zinsbouw en verteltrant: stijl: mijn stem is anders dan de jouwe.

In wat ik schreef zag ik mezelf, tussen de regels door. Soms zag ik mijn profiel bijna letterlijk in het woordbeeld van een pagina. Met mijn stempel en handtekening. Zou wat ik schreef zo niet een paspoort kunnen zijn naar mezelf, een weg terug?

Maar mij zelf zal je hier niet tegenkomen. Lezend kan je mij niet zien. De ware ik zit in het kind dat zich nog niet las. Ik kan geen cirkel maken door de slang zijn staart te laten zijn.

I.P. Fisher 2014

De grootste reis maak je ter plekke – een ontmoeting met Meneer Jozef

De grootste reis maak je ter plekke – een ontmoeting met Meneer Jozef

En je verhaal?
Mijn verhaal, Mevrouw de Heks?…
Waarom moet u daar nu over beginnen?
Mijn verhaal… uitgerekend nu!
Mijn verhaal, daar begin ik morgen aan.
Dat zeg je altijd!
Morgen, Mevrouw de Heks.
Morgen is er weer een dag. 
Weet je dat wel zeker?
(stilte)
Jongeman?
(stilte)
Nee, niet echt.
Slaap lekker.
Hmmm
Jozef van den Berg, uit: De Geliefden (1985)
Zondagochtend. Gehuld in het dekbed keken we naar kinderprogramma’s uit de Villa van de VPRO. Het was in de jaren ‘80 en ik was allang geen kind meer, eerder weer op zoek naar het kind in mezelf. We zagen toen onder ander de serie Monni en Nanni, Rembo en Rembo, en ook theatershows van Jozef van den Berg.
Prachtig vond ik het, hoe hij, mét de zaal, opging in een fantasiewereld die heel scherp de lijnen van de ‘echte’ wereld volgde. Schijnbaar eenvoudige parabels die, in ieder geval voor de jong-volwassene die ik was, de ontroerende tragiek van het leven weergaven met de oneindige wijsheid en speelsheid van een kind.
Ik schreef toen ook, en net als nu, te weinig. Van mijn vriendin kreeg ik een antiek, leeg opschrijfboekje. Voorin schreef ze: ”Ga zitten en schrijf je verhaal.” Misschien dat er een paar woorden bij zijn geschreven maar mijn verhaal heb ik nog steeds niet gedaan. Misschien is dit een deel ervan.
Vaak gaat het zo: ik ga iets doen. Daar heb ik iets voor nodig en dat ben ik kwijt. Zoek het, op de computer. Start dus de computer op…Koffie zetten, halen, drinken… De computer is dan opgestart, werkt niet naar behoren en wat ik zocht ben ik inmiddels vergeten. Ik ga iets anders doen. Wat heb ik daarvoor nodig? Een pasje, of iets anders. Waar is dat?…Zoeken, zoeken, zoeken… Vind een pen die al lang kwijt was maar ik niet zocht. En papiertjes die ik ook niet zocht maar waar nodig iets mee gedaan moet worden. Maak een nieuw stapeltje papier. Gooi ander papier in de oudpapier bak. Dan heb ik iets gedaan.
Boek
 
Jozef van den Berg begon als poppenkastspeler, voor kinderen, en evolueerde naar theatermaker met een Familie aan kleine handpoppen. In de jaren 1980 maakte hij naast elk programma voor volwassenen een versie voor kinderen. Zo las ik net in het boek van Francis Jonckheere: ”Jozef van den Berg, Van

Poppenspeler Tot Acteur Van Christus” (uitgeverij Lannoo, 2014). Francis heet voor Jozef ook wel Nikodim, beiden zijn toegetreden tot de Grieks-Orthodoxe Kerk. Waarschijnlijk heb ik indertijd dus alleen de kindervoorstellingen op tv gezien, maar het maakt mijn waardering voor zijn werk er niet minder om.

Vijfentwintig jaar geleden stopte Jozef met het theater. Op 14 september 1989 komt hij het podium op van de Rode Zaal in het Singel theater in Antwerpen en zegt:
“Ik zal nooit meer spelen.
Ik ben een werkelijkheid genaderd die niet meer te spelen is.
Ik heb ontzettend lang gezocht, ben overal geweest.
Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie
en die conclusie ben ik nu zelf: dat de zoeker zoekt, maar hij wordt gevonden.
Daarom sta ik vanavond voor het laatst op de planken.
[…]
Ik ga.
Het geld dat u hebt betaald kunt terugkrijgen bij de kassa.
Het gaat u allen goed. Tot ziens.” 

Er ging een schok door de culturele wereld. Ik heb het niet gemerkt. Mijn vader was een maand daarvoor op 12 augustus overleden en ik stond niet open voor veel nieuws uit de wereld. De val van het IJzeren Gordijn, dat drong wel door, en die man, die met een plastic tasje in de hand de tanks tegemoet trad op het Tien-A-Min Plein in Peking, dat weet ik ook nog. Maar op een of andere manier had ook dat met de dood van mijn vader te maken, toen.
Ik ben in die tijd zelf ook wel eens naar Russisch Orthodoxe diensten geweest. Onder het mannengezang van Gospody Pomiloei zie ik Gods geest tussen de berken op de Russische toendra’s zweven.

Verhaal
Jaren later, twee jaar geleden, komt mijn vrouw bij mij wonen. We kijken filmpjes op YouTube en ik vertel hoe een kunstenaar kan worden opgeslokt door zijn eigen werk, zoals in mijn ogen bij voorbeeld Jozef van den Berg is overkomen. Dat hij als zoekend theatermaker de ultieme stap had genomen en kluizenaar was geworden. We bekijken nog wat filmpjes en mijn lief zegt dat ze die man graag wil ontmoeten. Uit de filmpjes maken we op dat hij bij een gele kerk woont. Vanuit de tuin waar zijn hutje staat en waar hij op een fimpje het gras maait, kan je de klokketoren zien. Kerstavond 2012 gaan we op zoek naar die kerk en komen eerst bij een tweeling-kerk die een dorp verderop staat en vinden even later de juiste. We spreken een paar uur met hem, over ons verhaal en over het zijne.
‘Meneer Jozef’ noemt mijn vrouw hem en dat houden we er maar in. In zijn voorstellingen speelde hij altijd De Jongeman. Nu is hij, zowel naar leeftijd als geestelijke rijpheid, geen jongeman meer. Ik zeg dat ik het jammer vind dat hij geen toneel meer speelt. Via het theater en tv wist hij een heleboel mensen te bereiken, mensen zoals mij te laten delen in de mooie boodschap die hij heeft. Meneer Jozef vertelt hoe hij tot zijn stap is gekomen. Over de dood van zijn broer en het zoeken naar waarheid via verhalen in het theater. En hoe dat op een gegeven moment niet meer samen ging. En hoe hij van een Griekse patriarch de opdracht meekreeg ‘acteur van Christus’ te worden en hij zelf ook dacht dat daarmee bedoeld werd: op de planken, maar dat dit mislukte. Op (boven-) natuurlijke wijze werd duidelijk dat er iets anders mee bedoeld werd. De wereld is het toneel en God zelf maakt de scene in het bestaan van Meneer Jozef, die leeft van wat de mensen hem geven en nooit gebrek lijdt. We zijn er sindsdien een paar keer geweest en nemen ook altijd iets mee – koffie, iets lekkers, warme sokken, een boek.
Het gebeurde niet meteen, maar mijn idee over Meneer Jozef als de geniale kunstenaar die is opgeslokt door zijn fantasie is wel bijgesteld. Ik had wel meteen door dat hij niet gek is, allerminst. Hij is ook geen Jezusfreak of goeroe. Meneer Jozef straalt een bijzonder prettige warmte uit. “Met liefde en in waarheid. Als we de liefde of de waarheid verwaarlozen, gaat de diepgang teloor”, zegt hij in het boek tegen Francis Jonckheere, over zijn leven in het geloof.
Hij is gewoon een buitengewoon mooi persoon die leeft in God. Zonder voetstuk. Voor de VRT Radio zei hij: “Ik ben geen monnik, evenmin ben ik tot diaken of priester gewijd, ik ben gewoon een gelovige, maar ook iemand met een specifieke taak, een eigen roeping.”
Nieuws
Meneer Jozef is nog steeds, of meer nog, wijs en spreekt nog steeds schijnbaar eenvoudig. En hij is ook nog steeds grappig, en o zo belangstellend. Hij drinkt met zijn vriendelijke ogen alles in wat je vertelt. Alhoewel we met grote tussenpozen zijn geweest, weet hij altijd niet alleen onze namen, maar ook de details nog van vorige gesprekken: “En, heeft je zoon die baan nog gekregen?” vraagt hij dan.
Ik vind het ook (bijna) niet meer jammer dat hij is gestopt met optreden. Zijn ‘verhaal’ is er alleen maar mooier op geworden, authentieker. En ik kan nu dus gewoon bij hem langs. Niet voor een voorstelling, maar voor een echt gesprek, van mens tot mens. Dat is heel mooi. Ik voel me altijd puur en open, mijn ziel voelt zogezegd gelaafd, als ik bij Meneer Jozef ben geweest.
Gisteren waren we er weer. Voor Sinterklaas had mijn moeder ons samen het boek van Francis Jonckheere gegeven. Bijna op de dag af vijfentwintig jaar na zijn afscheid van het toneel, werd het boek gepresenteerd in dat zelfde Singel theater in Antwerpen. En Meneer Jozef was er bij, en maakte zogezegd de singel rond. “Een soort levende brief”, zegt hij in een interview. . Ditmaal was het niet in de Rode Zaal, maar in de Blauwe Zaal van het theater. Hij ging gekleed in een rode jas – dat dan weer wel – die  hij ooit van een Griekse priester heeft gekregen.
Het haalde zelfs het BRT Journaal van 5 september 2014. Zoals wel vaker geven de media van onze Zuiderburen oneindig veel meer blijk van cultureel besef dan de Nederlandse. In Nederland is Cultuur alleen nieuws als er geld mee gemoeid is.
Meneer Jozef had er lang over na moeten denken, veel raad gezocht in gebed, of het wel de Bedoeling was van de regisseur Daarboven. En ja, hij is dus gegaan, terwijl hij eigenlijk nooit Neerijnen verlaat. De laatste keer was drie jaar geleden, toen zijn zus was overleden.
Beide keren was Ronnie zijn chauffeur. Ronnie komt nu zo’n tien jaar om de week bij Meneer Jozef langs. We hebben Ronnie daar gisteren ontmoet. En, toevallig of niet, had hij vier gebakken visjes en patat bij zich. Zo hebben we, met z’n vieren binnen de vierkante meter van het ‘gastenverblijf’, met z’n allen gegeten. Mijn lief had een kaart voor Meneer Jozef gemaakt waarop ik iets had geschreven naar aanleiding van de stukjes die ik al had gelezen in het boek. Er staan ook transscripties in van fragmenten uit de theatershows, die altijd uit improvisatie zijn ontstaan. Wat ik las vond ik meteen weer erg ontroerend en als reactie schreef ik op de kaart iets als: “Ont-roering leidt niet tot verstilling, inactiviteit, wel tot sprekende stilte.”
We hadden het boek bij ons en vroegen of hij er wat in wilde schrijven. Dat deed hij:
“Neerijnen, 6 December 2014
H. Nicolaas
Uit dit boek:
“Elke mens, die van dit water wil drinken wil drinken
moet er zelf heen gaan, want ik spreek over Christus.”
Heel veel goeds,
Jozef”
Meneer Jozef vertelde over de grote heilige die Nicolaas was en dat er nog steeds olie uit zijn sarcofaag in Bari druppelt. Maar we hadden het ook over de goede oogst uit de tuin dit jaar en hij vertelde over de problemen die hij had met muizen en ratten. “Ze lopen gewoon onder mijn hoofdkussen door. Daar valt niet mee samen te leven, vooral niet met ratten” Tegen de ratten heeft hij toch maar gif gebruikt. De muizen vangt hij en zet hij uit in het bos. “Dan lig ik te slapen en hoor ik die val. Dan moet ik er snel bij zijn, anders gaan ze dood. En dan kijkt die muis je zo aan, van ‘wat gaat er nu me gebeuren.’ De muis doe ik ik een kooitje en dan fiets ik daar, midden in de nacht, met een muis naar het bos waar ik ze weer vrij laat.
Stilstaande Reiziger
In het boek beschrijft Francis Jonckheere hoe Meneer Jozef in zijn werk en als mens een reiziger was, een zoeker die gevonden werd. En hoe hij nu “een stilstaande reiziger” is in een hutje langs de weg. Dat vind ik een mooi beeld wat erg lijkt op mijn idee over reizen.
Mensen reizen wat af, vaak uit noodzaak, voor het werk of op de vlucht, maar ook uit gezonde nieuwsgierigheid. We reizen om de wereld te leren kennen, om andere dieren, culturen en mensen te zien. Overal komen we vooral ons zelf tegen en de meeste mensen hebben een thuis om praktisch onveranderd weer in terug te keren. Foto’s gemaakt, herinnering opgeslagen en de deur gaat dicht. “Dat hebben we weer gehad.”
Hoe kan je nu zoveel mogelijk zien en leren op reis? “De reis is de bestemming” is misschien een cliché geworden, maar daarom niet minder waar. In mijn weliswaar beperkte ervaring merk ik dat het vliegtuig onbevredigend is. De reis begint op een zielloze plek, de luchthaven, waar je in een zwart gat stapt en er weer uitkomt op even karakterloze luchthaven. Als een soort buizenpost ben je weliswaar vervoerd, maar van reizen is geen sprake. Als je met de trein gaat is dat al beter. Om te beginnen is het treinstation vaak een levendige omgeving, en onderweg zie de landschappen mooi aan je voorbijtrekken. Als je iets langzamer gaat, met de auto, zie je al meer. Zeker als je de snelwegen mijdt, zie je niet alleen landschappen, maar ook de verschillende steden. En het is wat actiever, je voelt de afstand.
Fiets van Jozef
Je voelt de afstand nog beter als je gaat fietsen. Met je kop in de wind voel je elke kilometer en vooral het hoogteverschil erin. In plaats van steden en dorpen zie je wijken en straten. Met de boot, en dan vooral zeilend is op dit niveau ook een mooie vorm van reizen, de mooiste wat mij betreft. Vanaf het water ziet de wereld er heel anders uit. Je herkent je eigen stad haast niet als je die voor het eerst over het water kan benaderen en verkennen.
Hoe langzamer je gaat, hoe meer je ziet. De reis wordt nog gedetailleerder als je gaat lopen. Dan kom je individuele huizen en bomen tegen op je pad. Maar het meest zie je nog als je blijft staan, of gaat zitten onder de boom. Nu pas ziet de reiziger de plek waar hij is het best. Er komen mensen langs, en vogels en hij ziet een mierenroute naast zich. De verste reis maak je sur place, ter plekke. En als je lang genoeg zo blijft reizen, begrijp je waarom die boom hier staat, en niet verderop.
Dat doet Meneer Jozef nu. Hij reist in zijn hutje onder die kweeperenboom in Neerijnen verder dan wij. De hele wereld komt langs in de ogen van een muis. En hij reist verder, ziet het Licht in het kaarslicht bij de icoontjes.
I.P. Fisher