NETTE NUL #17 Zomer

NETTE NUL #17 Zomer

Met gesloten ogen lig je in de zon. Je bent vrijwel bloot maar zonder lust of schaamte. Want je ligt in de zon als een slapende zee, sowieso zonder veel gevoelens. Waarom zou je?

Maak je niet druk. Waarom zou iemand zich ooit druk maken als de zon zo schijnt…. Je hoort vogels zingen, een leeuwerik misschien. Zo’n kwinkelerend speldenknopje op weg naar de zon. Kijken is niet nodig, er is genoeg zo…

Rivierwater gaat voorbij aan de boot en de roeispanen plenzen… Een krekel lijkt mee te reizen langs de oever. En elke haal het knarsen van die riemen.

Je zegt: “Vermoei je niet zo met roeien.”

Je hoort: “Anders gaan we niet vooruit,”

Je zegt: “Dan varen we mee, met de wind, of de stroom, of zo. “

Teveel gepraat. Te warm. Je gooit fris water over je heen uit de kom van je handen. Druppels kruipen langs je huid: eerst bol en met een blinkend kopje, dan steeds platter en langzaamaan verdwijnt de ster uit de drup… Wat wordt het stil.., een vis springt even op en nog stiller wordt het.

Kabbelend langs een rietzoom… Je denkt aan de mand voorin. De bordjes en broodjes, aardbeien, jasmijnthee in de thermos en de fles witte wijn die buitenboord mee hobbelt, watergekoeld. Je proeft nu alles met gesloten ogen… waarom zou iemand nog eten en drinken als het zo in de zon, zonder ook maar iets te bewegen al zo lekker is?

Je denkt: “Ik ga niet denken, het wordt veel rustiger zonder te denken…”

En je voelt een warm lichaam maar niet meer het jouwe, het is van de zon geworden. Je hoort jezelf zoiets willen zeggen, maar loom… en veel te dichtbij klinkt daar uit het diepst van haar magen, het langgerekt en klaaglijk loeien van een koe.

We schommelen nog na alsof we hebben gelachen.

Je hoort: “Die koe sprak uit wat je net niet kon zeggen.”

Rustig dobberen we terug met het slome schuitje over het stille water. Pas vlakbij de steiger citeer je Hans Lodeizen:

“de moeheid in een bootje

roeit langs geweldige steden

die drijven ieder een eiland

langs de kust van het

gefantazeerde intellect.”


Dit was NETTE NUL #17; jaargang 10 Nummer 6, oorspronkelijk verschenen op 13 augustus 1992.

Ilustratie: Merel de Groot

Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

NETTE NUL #15 – Muur

NETTE NUL #15 – Muur

Betreft: Plaatsing Elastieken Muur in Werkveld.

Tijdens de laatste vergadering van de Commissie Elastieken Muur in oprichting is besloten tot het opstarten van een brede plannings- en voorbereidingsprocedure. Om de daartoe benodigde activiteiten te coördineren is een subcommissie benoemd die de plenaire commissie zal gebruiken als steunpunt en klankbord bij eventuele knelpunten in haar werkzaamheden. Daarnaast is zij verplicht tot periodieke evaluatie en rapportage naar de gecombineerde vergadering toe.

Alvorens tot plaatsing te besluiten wordt een nulpunt onderzoek ingesteld om te komen tot een inventarisatie van het veld op zich, zodat de muur optimaal kan aansluiten bij de omgevingsfactoren(*). Vooral de verschillende invalshoeken van betrokken dienstverleners en instellingen zullen worden meegenomen.

Daarnaast heeft een onafhankelijk onderzoeksbureau opdracht gekregen de uitgangsposities van extern bij het veld betrokkenen in kaart te brengen. De kans bestaat dat u reeds in deze fase zal worden verzocht om uw inbreng bij exploitatie of beheer van de muur nader te motiveren. Wij raden dan ook aan om u tijdig te oriënteren op recente ontwikkelingen rond uw werkveld.

Naast een globaal tijdpad is door de Raad een stelsel randvoorwaarden vastgesteld dat bindend is voor alle partijen.

In de bijlage staat beschreven hoe deze randvoorwaarden voldoen aan de landelijk geldende norm inzake vergelijkbare projecten.

Aangezien onderhavige muur valt onder het speerpuntenbeleid zoals geformuleerd in de jongste Kadernotitie, valt een ruime subsidie te verwachten voor zowel de voorbereidingsfase als de uitvoering.

Na afsluiting van de inventarisatie zullen de resultaten, gevoegd bij de uitkomst van het onderzoek, ter parafering en amendering worden voorgelegd aan de betrokken afdelingshoofden. Deze bundel ondergaat vervolgens de verplichte informatie- en inspraakprocedure. De uitspraken die hieruit voortvloeien zullen worden opgenomen in de uiteindelijke voorbereidingsrapportage. Vervolgens kan, na goedkeuring van het concept door de subsidieverstrekkende instanties, het uitvoerend comité zich bezinnen op de eerste fase van plaatsing.

Dan kan tevens worden overwogen of (gedeeltelijke) opheffing van de muur op termijn niet meer in overeenstemming is met de bezuinigingstaakstelling en het streven naar bestuurlijke- en sociale vernieuwing in het algemeen. In geval van onderbesteding zal het saldo overigens ten goede komen van het projectbudget van de Commissie Elastieken Muur in oprichting.

In het vertrouwen u voldoende geïnformeerd te hebben, teken ik, namens deze,

N.N.


Dit was NETTE NUL #15 Muur; jaargang 10 Nummer 3, oorspronkelijk verschenen op 26 maart 1992.

Naschrift 2020:

(*) Een van de belangrijkste omgevingsfactoren is het KAST-je, het Klassiek Ambtelijk Structureel Retourbeleid. De inrichting van dit beleid maakt nadrukkelijk geen deel uit van het onderhavige project. Conform de laatste bestuurlijke inzichten hanteert de Commissie zogeheten Chinese Walls tussen de beoogde Muur en het Kastje. Vanuit de beginselen van governance en behoorlijk bestuur dient elke (schijn van) van samenhang te worden vermeden, dan wel ontkend.

Van oudsher ziet men een zekere samenhang tussen het zogeheten Kastje aan de voorkant en de praktijk van de beoogde bovenbeschreven ‘Muur’ aan de achterkant. Deze beleidssporen zijn geworteld in een lange traditie die terug gaat tot het Babylonische Rijk. Thans wordt beoogd het construct te moderniseren naar de eisen van het huidig tijdsgewricht waarbij elke verbondenheid nadrukkelijk wordt vermeden teneinde een volledig onafhankelijk functioneren te bevorderen.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

NETTENUL #19 en #20 – Ochtend

NETTENUL #19 en #20 – Ochtend

Cita

…uwsdienst verzorg door het ANP. Afgelopen nacht is het in het voormalig Oostduitse Joegoslavië opnieuw tot een…” Die zoemer was afschuwelijk, maar van het nieuws word je ook niet lekker wakker. Cita Nul slaat het dekbed van zich af en staat op met een zucht. Waarom zo vroeg? Waar is Nette? O, ja. Werk. Ze schuift de lamellen opzij en kijkt naar buiten. Maandag. Natuurlijk regent het pijpenstelen. “… en in de loop van de dag ruimend naar noord. Waarschuwing voor de scheepvaart…”

Iets meer dan een uur geleden zal Nette de deur uit zijn gegaan, gooide z’n tas op de stoel voorin de middenklasser; de kinderen op de achterbank. “Gordeltjes vast, keinders” zal hij gezegd hebben. Nu zal hij z’n tweede handtekening hebben gezet en bezig zijn met zijn vijfde telefoontje en zesde sigaret. Voor Cita blijft het moeilijk om mee te draaien in de tredmolen van het dagelijks leven.

Vooruit maar weer, spoort ze zich aan, wees de nuttige huisvrouw die hier nodig is. Op de trap liggen alle vuile kleren die een modern vierpersoonsgezinnetje maar kan produceren in een lang weekend dat gevuld werd met geknutsel aan motoren, sporten op een blubberveld en een speurtocht door de polder. Cita probeert alles te verzamelen met de vertederde wanhoop die ze kent uit reclamefilmpjes voor wasmiddelen. Al het schoeisel belandt op een hoop op de overloop. De wasmachine krijgt z’n trommel volgepropt en wordt aan het draaien gezet.

Beneden vindt ze door de hele keuken resten van het ontbijt. Ze leest het schoolbord op de deur: “Vanavond gaan we uit XXX” belooft Nette. Geweldig, en verder? “Biep / Afspr. tand / Tuin winterklaar.” Genoeg te doen. Gelukkig. En er staat ook nog redelijk verse koffie. Cita probeert de radio nog ‘ns en zet zich aan de tafel met lege stoelen. Door de troep die in de ochtendhaast is ontstaan, is het net of het hele gezin nog rondloopt, maar dan zonder geluid.

De radio laat iemand spreken over een buitenlandse minister van buitenlandse zaken. Cita Nul eet brood met kaas. Ze staart naar een ingelijste foto aan de muur, zomervakantie zeven jaar geleden. Ze schrikt op bij een tijdsein op de radio. Tien uur alweer. De was is klaar. Ze spoelt de koude koffie door de gootsteen, kijkt naar buiten. In de tuin klatert een fonteintje in de vijver tegen de regen op.

Wat een onzin, denkt Cita. ’t Is inmiddels herfst. Het hollands regenseizoen is begonnen. Ze trekt direct de kaplaarzen aan die klaarstaan bij de keukendeur. En zo, nog in haar slaapjurk, gaat ze naar buiten en sluit maar vast de buitenkraan af.

Kan de leiding tenminste niet kapot vriezen en hebben we volgend jaar weer een fijn fonteintje. De tuin wordt winterklaar van het bord geveegd.

Maan

Het is duidelijk al ochtend maar niet licht. Nette droomt nog na maar slaapt niet. Het is tegen tienen. Moet Nette niet in pak met z’n nette auto naar z’n nette baan in het nette kantoorpark? Hij spert zijn ogen open en graait de telefoon van de ombouw. Een bekende schorre hoge stem neemt op. Nette zegt door z’ n nieuwe wekker heen te zijn geslapen.

“Goed zo”, antwoordt ze spottend, “Je bent vandaag vrij, raar jong. Dinges, je zonnetje in huis was toch jarig.”

Nette grinnikt dommig, weet nu weer dat hij slingers heeft opgehangen en vanmorgen heel vroeg aan het bed van Maan heeft staan zingen. Tien jaar is ’t kind geworden. “Groep zes, vierde klas”, rekent Nette door. Tien jaar geleden woonde hij nog niet hier, was het onbekend gebied. Hij kende zijn vrouw Cita ook nog niet, die toch hoogzwanger was van Maan. Toen zou hij op een dag een vriend gaan bezoeken die net was verhuisd:

“Hoe heet het daar? Waar is dat ergens? Hoe kom ik daar?” Op z’n fiets was hij heel wat keertjes het viaduct tussen de kerkhoven opgeklommen en schreef later

`Wat losse tegels klepperen als de zerken

onder berken, beneden je. Een vangrail en roosters

Van ijzers boven de lijnen

beletten andere voertuigen door te

laten komen – voor vleesmolens door

te laten gaan. Na weer zerken nog

meer steen in de hoge boeg van een fort.’

Als gedicht nooit afgekomen, voldeed het enige tijd aardig als routebeschrijving. Later merkte hij dat de wijk per auto maar via één weg te bereiken is. Hij bedacht dat het gébied in zijn geheel zo bijna een fort werd. Voor de noodtoestand hoef je maar één weg af te sluiten en wat fietsbruggen en tunneltjes te slopen om 11.000 mensen vast te houden.

Nette geeft zich een mentale schop onder de kont. Blij zijn. Maan is jarig, we gaan hapjes maken en vanmiddag met de hele gillende bende naar de nieuwe Disneyfilm in de stad. Met zijn beste been staat Nette op.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

Hier maken we kennis de laatste leden van de familie in NETTENUL#19: Cita Nul (jg10,nr.7 – 24 september 1992), Maan en weer Nette zelf, in NETTENUL#19 (jg11,nr.1 – 4 februari 1993).

NETTENUL#17: Verjaring

NETTENUL#17: Verjaring

Tussen de eerste en de laatste dag wordt je elk jaar herinnerd aan je geboortedag, of je wil of niet. Vanaf de ene verjaardag mag je stemmen, vanaf de andere krijg je hoger loon of moet je met pensioen.

De eerste dag wordt niet gevierd want er valt nog niets te herdenken en de dag is lastig te plannen. Als Moeder de Vrouw is uitgeteld op 15 maart laat Moeder Natuur je rustig al 29 februari of op 1 april ter wereld komen. Daarom krijgt de eerste verjaardag pas achteraf een getal. Van die dag is alleen een foto over: een kleine dreumes in de kinderstoel kijkt naar de camera en niet naar de taart met één kaarsje.

Het aantal kaarsjes zal snel groeien. En met de schoolplichtige leeftijd beginnen de feestjes . Wil je poffertjes eten, pannenkoeken of patat? Naar de Efteling, Artis of Euro-Disney? De ouderlijke bijdrage wordt langzamerhand begrotelijk. Dan komt de verjaardag dat je zelf geld uitgeeft om je ouders een avond de deur uit te doen. Je draait eigen muziek en knoopt een doek over het enige spotje dat mag branden. Een fles drank wordt stiekem bijgevuld met water.

De taart met kaarsjes verdwijnt maar een vlam brengt soms het juiste aantal rozen voor je mee. Een aantal jaren lang groeit je feest steeds verder uit. Niets is te gek voor een party op een goeie locatie met veel mensen, decibellen en versnaperingen. Bij een echt Feest zie je zingend de zon opgaan terwijl het zachtjes begint te sneeuwen. Dan ga je naar binnen om te dweilen. De volgende verjaardag doe je niks.

De volgende verjaardag komen je vrienden en de familie samen. Net als vroeger komen ze vroeger en gaan ze vroeger weg. Er staat weer een taart op tafel, zonder kaarsjes. De volgende verjaardag moet je papieren inzien om te ,weten hoe oud je wordt. Men gaat in kruisjes tellen: vier betekent veertig. Bij vijf kruisjes zit er een pop met een baard op jouw stoel. Er wordt nog eens feest gevierd. Vervolgens vliegen verjaringen voorbij tot je bejaard genoemd mag worden.

De laatste verjaardag maak je niet meer mee. Je krijgt evenveel aandacht als bij de geboorte maar weer krijgt een ander de kaartjes en de bloemen. Ook deze datum zal een aantal jaren worden herinnerd. Dan brandt de vlam van één kaars bij je foto, zonder taart.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

Dit was de 17e column die verscheen in jaargang 10, nummer 5 op 11 juni 1992.

  • Illustratie: Merel de Groot

NETTE NUL #12 – Elke Nul

NETTE NUL #12 – Elke Nul

Laat mij u vertellen van tante Elke die woont aan de Bierkaai. Elke Nul leidt een zinvol en nuttig leven. Zo is ze actief bij de vrijwillige brandweer waar ze meesterlijk spuit elf bedient. Bij ieder loos alarm spant ze het paard achter de wagen en rukt uit. Doorgaans draait ze haar hand niet om voor het blussen van een binnenbrand, maar ooit is het voorgekomen dat ze per ongeluk olie op het vuur gooide. Dat muisje heeft een lange staart gehad. Toch mag tante bij de meeste mensen telkens potjes breken. Ze worden blij gemaakt door Elke’s dode mus die flierefluitend heel de buurt vermaakt.

Tante werd geboren in de pruimentijd, als dertiende in een dozijn kinderen. De ouders van het arme en toch al grote gezin waren Dokter erg dankbaar: ze kon voor een dubbeltje worden geboren. Per slot was ook dit kind op rekening gehaald.

Al op zeer jonge leeftijd hield Elke vaak praatjes voor de vroedvrouw. Deze nu was wat heet gebakerd en gooide het kind weg met het badwater. Niet echt zachtzinnig, maar zo kon tante reeds als kind de was doen en leerde ze haar eigen boontjes doppen.

Welbesteed, dat is haar leven. Een blauwe maandag werkte ze bij een zaak die knollen verkocht voor citroenen. Haar chef ging op de fles en belandde in de goot; Elke wist te promoveren naar Kantoor. De verantwoordelijkheid voor het inbrengen van lege briefjes was een taak die zij volbracht als geen ander.

Ze had alleen de gewoonte om krachtig open deuren in te trappen, zodat die weer vervangen moesten worden, en dat vond de dubbele boekhouder op den duur te duur worden.

Tante besloot voor zichzelf te beginnen op de vrije markt. Elke Nul heeft sindsdien een windhandel en leeft daar goed van. ’s Nachts verplaatst ze zoveel lucht als er maar in haar kraam past en overdag verkoopt ze zoete broodjes van gebakken lucht en glaasjes water met een storm.

Het heeft haar veel windeieren gelegd. Onlangs liet ze zich een huis bouwen op het ijs en dagelijks eet ze baliekluif. Ze gaat vaak op vakantie naar de Caraïben en dan speelt ze mee met een steelband. Op de holle vaten klinkt ze boven iedereen uit.

Ja, tante ziet de zon in het water schijnen en geniet volop van de schittering. In haar kinderhand blinkt een fortuin aan klatergoud.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

Dit was de 12e column die verscheen in jaargang 9, nummer 9 in december 1991.

NETTE NUL #10: ome Edo

Zoals overal en bijna altijd is ook de familie Nul een uiteenlopend gezelschap dat het op feestjes toch samen kan vinden. We zien het zwarte schaap naast een muurbloempje zitten, de bonte hond in een kring van grijze muizen.

Daardoor ontstaat op familiefeestjes een soort gemiddelde gezelligheid. We zien elkaar toch al zo weinig en ruzie maken is dan ook niet waarschijnlijk. We herkennen ook wel iets in al die heel andere mensen. Vroeger heette dat bloedverwantschap. Nu zien we de erfelijke structuur van de genen.

Oom Edo wist daar alles van. Die vreemde oom Edo wist van alles trouwens veel. Hij had mij, zijn neefje Nette, als kind de sterren aangewezen en koppen leren snijden uit hout.

Het was onduidelijk wat hij voor beroep had. Veel verder dan ‘iets op de Uithof’ kwamen we niet. De laatste jaren mocht ik hem beter leren kennen. Want hij praatte wel veel op feestjes maar gaf zichzelf nooit bloot. Vrijwel niemand kwam ook bij hem thuis. Voor zijn verjaardag huurde hij een zaaltje.

Het was bij één van de tantes thuis dat we aan de praat raakten. Het gesprek kwam vanaf de gelijkenis tussen zijn neus en die van zijn zuster, via erfelijke waanzin en de wetgeving rond erfenissen op genetische manipulatie. We kenden al de kruising tussen schaap en geit. Ik zei:

“Laatst las ik in de krant toch iets: ze hebben ergens de genen van een vuurvliegje in een tabaksplant geschoten. En het lukte – die plant gaf licht.”

Oom Edo wist de namen van het laboratorium en van de wetenschappers. Sterker nog, hij werkte zelf op een dergelijk lab aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Ik vroeg wat hij dacht van dergelijke experimenten bij mensen. Toen had oom Edo opeens alle interesse voor de haakwerkjes van nicht Anna.

Later die dag werd hij openhartiger:

“Weet je, Nette, nu kunnen we al veel met elkaar kruisen. Heel veel. Alleen mag het vaak niet. Ethisch enzo. Maar soms ben ik voor mezelf wat bezig, buiten de Uithof om en toch vlakbij.”

Hij gaf voorbeelden van wat allemaal mogelijk is maar zei over zijn eigen werk alleen:

“Ach ik wil daar gewoon iets aardigs nalaten.”

Afgelopen zomer is oom Edo bezweken aan een onbekende ziekte. Mij heeft ‘ie alleen een houtsnede nagelaten. Maar in Amelisweerd is me een bosje opgevallen. Manshoge boompjes waar in de lente gewone bloesem aan groeide. Nu hangen er een soort appeltjes. Vreemde appeltjes, het is net of er een slim gezichtje in zit dat me heel bekend voorkomt. Ik heb ze nog niet geproefd.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

Dit was de 10e column die verscheen in jaargang 9, nummer 7 in september 1991.

NETTE NUL #8: Jakob

NETTE NUL #8: Jakob

Niets mooiers dan het jonge leven, niets mooier dan mei.

Het jaar wordt elke lente opnieuw geboren, en dit jaar gebeurde dat heel dichtbij. Dan bedoel ik niet alleen die jonge eendjes in de sloten, telkens achter elkaar de moeder volgend als kleine bootjes met afstandsbediening.’ Ik zat in het vers opgeschoten groen en keek ernaar. De kolonne hield halt en kwabbelde aan land. Ze kwamen op me af en de meest brutale hapte in mijn vinger: een prettig gevoel.

Maar dat bedoel ik niet.

Ik heb dit voorjaar een nieuw huis en ik heb kikkers gezien, luidkeels kwakend op klaarlichte dag. Voor het eerst in mijn leven heb ik merels van dichtbij zien paren: een zeer verfijnd wipje, heel wat anders dan eenden.

Maar dat bedoel ik ook niet. Het meest nabij kwam de lente door een mensenkind bij vrienden. De negen maanden waren al voorbij rond Koninginnedag. De ouders hadden het idee dat hun eersteling wel een jongen zou kunnen worden. Het waren miezerige weken. Maart en april gaven soms hoop op zomer maar straften dat weer af met hagel en vorst.

De moeder had voorspeld dat het kind pas zou komen als de zon weer ging schijnen. Ik kwam die dag een poppenspeler tegen in de stad. Hij zei: Wanneer ik speel gaat de zon schijnen.

Het was regenachtig weer, die achtste mei, maar toen hij begon te spelen brak de zon door. Drie uur later werd Jakob geboren.

Hij is nu al een vriend en niet alleen omdat zijn ouders vrienden zijn. Ik voel me een beetje oom geworden. Het is een lente van je eigen soort. Zijn handen zijn knopjes naast de mijne, zijn oortjes minuscuul. Het is een twijgje. Een boompje van een vent.

Hoe is het om geboren te worden? Vanuit een warme waterwereld krijg je plotseling te maken met lucht: je krijgt gewicht. Je hebt longen. Geluid dendert door je weke hoofd. En er is licht: oogverblindend! Geen wonder dat je zo’n keel opzet. Geen wonder dat je knijpt met je ogen als een kat.

Mijn verjaardag valt eind mei. Jakob was met achttien dagen de jongste bezoeker: De vrienden zeggen: “Jakob heeft het cadeau meegenomen.”

Ik heb het boek in de kinderwagen nog niet gezien. Later krijg ik ook de kleine in handen. Zijn ogen volgen de mijne als we dansen. ik kijk hem aan en denk: Ik legde mijn hand op je moeders buik en voelde je bewegen. Ik weet dat jij het was. Herken je mijn handen?

Jakob kijkt rustig en aandachtig terug en zijn pupillen worden groter. Hij zal nooit zeker weten of hij mij herkend heeft.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

Dit was de achtste column die verscheen in jaargang 9, nummer 5 op 13 juni 1991.

NETTE NUL #7: Romance

NETTE NUL #7: Romance

Op een maandag leerden ze elkaar kennen. Of had hij haar al eens eerder gezien, was zij hem al eens tegengekomen? Het kwam zo bekend voor. Bij het bridgen viel zij op door haar heldere alt die door de zaal klaterde. Hij was rond het biljart zo duidelijk aanwezig. Hij liep met waardige pas en verborg toch zijn emotie niet bij een gewaagde carambole. Ze praatten wat aan de bar, één droge sherry, één martini.

Meneer bleek weduwnaar, afgelopen november was het zeven jaar geleden. Hij wist zich prima te redden. Gedurende het lange ziekbed van zijn vrouw stond hij immers ook overal alleen voor. Mevrouw was al tijden gescheiden. Toen ze vijfenvijftig werd, merkte ze dat ze geen zin meer had om de schijn op te houden en huisvrouw te spelen voor haar man die zijn VUT besteedde aan het voorzitten van besturen.

Ze had gewerkt als lerares en was trots op haar onafhankelijkheid. Maar deze zware man deed haar iets. Hij had ietwat hangende oogleden zonder vermoeid te kijken. Ze kon zich voorstellen dat hij een lastig persoon was geweest, maar hij leek gerijpt als goede drank op eikenhout.

De man was dan wel weer net zo overtuigd vrijgezel als voor zijn huwelijk, maar deze vrouw had iets, de wijze uitstraling van een lieve tovenares. Alsof haar lichte ogen meer zagen dan anderen. Ze zouden zondag gaan wandelen.

theehuisrhijnauwen.nl

Bij een theehuis met rieten dak gingen ze zitten. Een plaatje om te zien. De kleding was een aantal maten wijder dan vroeger maar in die groene jurk kwam haar postuur goed uit. Gouden sieraden leidden de aandacht af van haar oude vel. Een sieraad was ook haar zilveren haar en niemand had last van de spataderen. Hij droeg een hoed, al had kaalheid hem enkel meer karakter gegeven. Het litteken van zijn laatste operatie was onzichtbaar onder het kostuum dat bijna weer modern was. Over die buik zou een horlogeketting heel mooi staan, stelde ze voor.

Ze spraken bedachtzaam zonder dat het gesprek stokte. Tot zijn verbazing wist ze niet alleen veel van de dierenriem maar doorzag ze ook politiek Den Haag. Hij verraste haar met nieuwe recepten. Ze bleven u zeggen maar waren eigenlijk gewoon verliefd.

Ze spraken ook over oud zeer, dat de tijd had moeten helen: twee broers die elkaar haten, een oom zonder hart, een jong gestorven kind, de vrouw die gek geworden stierf. Hun tafeltje was een intieme cirkel waar de ober verlegen van werd.

Een blinkende namiddagzon rekte langzaam hun silhouetten uit. Ze stonden op, hun schaduwen liepen in elkaar over. Ze gaf hem een arm, hij gaf haar een arm. Gearmd zoals alleen zo’n paar gearmd kon lopen, liepen ze door het grind van het terras. Ze gingen samen eten. Hij zou iets Indisch maken.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

Dit was de zevende column die verscheen in jaargang 9, nummer 4 op 10 mei 1991.

Nette Nul #6: Buiten Utreg

Nette Nul #6: Buiten Utreg

“Doe maar een Spa-rood”, zei ik, en hij:

“Gewoon water. Nu moet je helder water in de fles kopen. Als knaap zag je het gewoon door de Kromme Rijn stromen. Kon je ook gewoon drinken, jazeker. Je kon de bodem zien, zo helder.

En als je dook moest je oppassen dat je niet boven kwam met een krab in je nek. De hele zomer hingen we daar rond. En vissen hè. Dat leerde Jan me: je breekt zo’n rietstengel doormidden en daar kan dan een wormpje zitten. Het heeft ook een naam, kokerrups of zo. Dat doe je aan je haakje en hij hangt nog niet in het water of weg is je dompelaar.

De scholen vis zwommen langs je kuiten. Daar zaten we dan als jongens. En appels jatten… sterappeltjes, ken je die? Onderlaatst was een ouwe buurman van me de boer op gegaan en die had ze nog. Je ziet ze anders nooit meer. Maar ja, dat was toen echt helemaal buiten, Amelisweerd en zo. Voorbij de spoorlijn daar bij de Jutfaseweg begon de polder. Dan heb ik het over nog voor de oorlog. Jutfaas was toen apart, een eigen dorp. Daar komt mijn vrouw feitelijk vandaan, van Jutfaas .

Dat groeit allemaal dicht hè. Ik ging van de week ’n end fietsen en kom door dat park. Daar heb je die brug over de snelweg. Nou, ben je daar overheen, dan zit je bekant al in Jutfaas, Nieuwegein dus.

Eerst was het nog van Lunetten, nou ja, we noemden het net een vakantiekolonie.

“Woonoord Lunetten” zei ik.

“Ja, haha, waar eh…, nee, maar eerst had je daar een stuk niets en dan opeens al die nieuwbouw. Nu zit er alweer een wijk aan vastgeplakt, bijna tegen Hoograven. De berg noemen ze het. In het krantje las ik dat ze daar vinden dat het iets aparts is. Dat zie je in Amersfoort, waar m’n zoon woont, ook. Woon je op de berg, dan zit je van eigens hoger.”

We rolden van zijn zware shag.

“Nee, de grenzen die je had vervagen. Heb ik tijd van leven dan is het dadelijk één grote nieuwbouwwijk tot over de Lek heen. Zul je zien, ze gaan het hier toch ook tot Houten dichtbouwen. Nu bij Amelisweerd weer, moeten er op de sportvelden zoveel honderd huizen komen. Ach ja joh, dat is toch geen Utrecht meer.

En het gaat maar door. Dubbele spoorlijnen, stationnetje erbij en nog één, meer kantoren, meer parkeren, ze doen maar. En eerst wel trammelant maken over een stukkie snelweg. Dan zeg ik, moet  je nou zien. Ik was daar laatst nog, in het bos. Maar ik rook gewoon die snelweg op honderd meter afstand. En dan denk ik bij m’n eigen: man man man…”


Naast mijn eigen verhaal zijn in dit stukje het spraakgebruik en verhalen van Piet de Rijk verwerkt. Ik was thuiszorgmedewerker bij hem, zijn vrouw met afgezet been en hun zwakbegaafde dochter Grada. Hij praatte origineel oud-Utrechts, met een zachte g. Hier schrijf ik het tamelijk ABN op, maar eigenlijk moet je bijvoorbeeld ‘maor’ lezen, ‘daolluk‘ en ‘ongderlaatst.’ “Ach ja joh, dat is toch geen Utrecht meer” klinkt dan als “àjgh jao, joh, dàs tojgh gjheun Utrejgh meer” maar dat lijkt me wat vermoeiend lezen.

Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten. Het dus niet om het Molukse ‘woonoord’ in Kamp Vught, alhoewel beide domicilies hun naam danken aan een zelfde militaire oorsprong (de naam van de column en zijn hoofdpersoon is een omdraaiing van het woord Lunetten).

Dit was de zesde column die verscheen in jaargang 9, nummer 3 op 4 april 1991. De illustratie is gemaakt door Merel de Groot.

Topgrafie ca. 1930
topografie ca. 2020

NETTE NUL #4: Dood vogeltje

NETTE NUL #4: Dood vogeltje

Er lag een dood vogeltje voor mijn voeten. Ik moest ergens wachten op iemand en staakte mijn gedrentel. Als je moet wachten valt er nu eenmaal weinig anders te doen dan drentelen, en stilstaan bij dode vogeltjes.

Het was een merel, een bruine damesmerel. Ze lag op haar zij in de goot. De doodsoorzaak was onduidelijk want ze was nog helemaal heel: van kop tot staart vol veren, twee pootjes en een snavel. Misschien had ze gewoon als hoogbejaarde zangvogel de laatste adem uitgeblazen.

Twee jongetjes kwamen aanlopen, allebei een jaar of tien. Tenminste één had een fietsje bij zich, de ander droeg een brilletje. Ze bleven doelbewust staan bij de vogel en mij. Alsof het ene jongetje wist dat het hier lag en toen zijn vriendje had gehaald.

Het was, denk ik, de jongen zonder brilletje die het praatwerk deed. Hij zei dat dat een dood vogeltje was. Wij moesten dat toegeven want het lag daar maar en bewoog niet. De oogjes waren ook, wat je noemt, gebroken: niet open en niet dicht. Dof. De kleine oogleden leken korrelig, alsof ze van grond waren.

Nee, deze merel zou nooit meer zingen en dat was jammer. Vooral als de zon moet opkomen of ondergaan zingen merels zo fraai. Dan gaan ze zitten op de punt van een dak of tak en fluiten alsof ze zelf de zon doen kleuren.

Een vriend vertelde me eens hoe hij in de ochtendschemering van een feestje kwam en luisterde naar het gezang van de merels. Het kwam hem zo bekend voor, dat geluid, die melodie, het was precies…. Charlie Parker, de beroemde jazz-saxofonist, The Bird.

“Weet u wat voor soort vogel het is?”, vroeg de jongen. Ik voelde me direct een opvoeder, een Pappa of Meneer. Ik legde dus uit: dit is een merel, een bruine en dus een vrouwtje. De mannetjes-merels zijn zwart en hebben een gele snavel. Ze kunnen heel mooi fluiten, vooral ’s morgens vroeg en ’s avonds. Het jongetje:

“Is die vogel van u?” Ha, ik zag mijn kans om dat jochie echt wat te leren. Nu ging het om zaken als Vrijheid en Bezit.

“Nee” zei ik dus. “Die merel is zo vrij als een vogel, die is van niemand. De hele wereld is van haar en zij is alleen van zichzelf.” Het antwoord was even snel als wijs:

“Nee hoor, die vogel is van God, de natuur en de dierenbescherming.”

Ik had deze mens duidelijk onderschat door af te gaan op zijn lengte en leeftijd.

Een man kwam in onze richting lopen. Ik zag direct dat hij de echte Pappa was. Hij had een stoffer en blik in handen bij wijze van lijkwagen. Stoffelijke overschotten zijn wel met minder eer afgevoerd. En ergens op de wereld speelde Charlie Parker toen die jongetjes haar begroeven in de achtertuin.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. Het gaat dan om de Utrechtse wijk Lunetten, niet om het Molukse ‘woonoord’ in Kamp Vught, alhoewel beide domicilies hun naam danken aan een zelfde militaire oorsprong (de naam van de column en zijn hoofdpersoon is een omdraaiing van het woord Lunetten).

Dit was de vierde column die verscheen in nummer 1 van jaargang 9, 24 januari 1991. De illustratie is gemaakt door Merel de Groot. Het is allemaal waargebeurd, zowel het verhaal van de jongetjes als de kennis die een merel Charlie Parker hoorde fluiten.


NETTE NUL #1

NETTE NUL #1

Vacature: columnist

Binnen zaten twee mannen. De derde wijst mij een stoel aan deze kant van de tafel. Hij zet koffie met melk en suiker voor me neer en zakt weg in een stoel tot zijn kin bijna de tafel raakt. De figuur links houdt met één hand zijn hoofd recht, zijn elleboog leunt op tafel. Die tegenover me glimlacht, daar moet ik voor oppassen. Rechts zie ik mijn sollicitatiebrief wapperen.

– “Meneer… eh….” Hij praat of hij iets zoekt.

– “Nul,” zeg ik, “rondje.”

“U, eh… wil bij ons tijdschrift werken”, constateert hij, of een werkwoord van die strekking. Ik knik enthousiast en roer mijn koffie. Bijna spoelt het over de witte railing van het kopje. Hij laat een zucht en schuift mijn brief over tafel. Niet zo ver, vanwege zijn positie, maar de glimlachende man strekt uit, leest en verbreedt zijn grimas.

– “U bent,” leest hij half, “zeer genegen uw onleesbaar te steken in cursivering van onze pagina’s?”

– “Een woordspeling”, zeg ik. “Natuurlijk zal ik mijn bijdrage in het kader van de…”

– “Gaat u niet liever vissen, of een potje toepen aan de bar,” klinkt het opeens van links. Hij haalt een sigaret uit zijn mond en blaast drie kringetjes.

– “Nee”, zeg ik, verwonderd. “Ik vind vissen, nou ja…”

– “U heeft ervaring als columnist?” Het hoofd op de tafelrand, hij heeft haast.

– “Nou, ervaring, ik kan wel schrijven.”

– “Ook over tv?”

– “Ook, maar niet in kleur. Kijk, ik ben…”

– “En over Lunetten?” valt ‘ie me weer in de rede. “Kunt u ook over Lunetten schrijven”

Dat kan. Ik praat wat zinnen aan elkaar en neem een slok koffie. Eén druppel kruipt hinderlijk langs mijn kin, maar ik kom er niet toe die weg te vegen. De man voor mij:

– “Heeft u nagedacht over de beloning?”

– “Jawel. En waar had u ongeveer aan gedacht?”

– “Aan ongeveer niets.” Smalle glimlach.

De man links heeft nu mijn brief in beide handen en haalt die onder zijn ogen door.

– “Bent u eigenlijk wel grappig” peinst hij hardop. Ik schuif mijn stropdas recht, moet even slikken:

– “Ze moeten wel eens om mij lachen. Gewoon, mensen…, maar ik weet niet altijd waarom. Aan de andere kant, kleine kinderen…”

De man rechts schuift helemaal omhoog in zijn stoel. Hij lacht zonder veel geluid.

– “Goed, u bent grappig en u kunt schrijven, toch?

– “Dat zeker,” zeg ik, “Van a tot z in elke volgorde die ik wil. En in een mooi handschrift, al zeg ik het zelf.”

– “Schrijft u alles met de hand? – U doet het met papier? – Heeft u geen beeldscherm?” De vragen buitelen over tafel en ik knik trots, zeg nee en ja.

De drie kijken elkaar peinzend aan. Er fronsen wenkbrauwen, een mondhoek krult. Ik veeg de koffie van mijn kin en sta op.

– “Goedendag”, zeg ik. “U hoort nog van mij.”


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. Het gaat dan om de Utrechtse wijk Lunetten, niet om het Molukse ‘woonoord’ in Kamp Vught, alhoewel beide domicilies hun naam danken aan een zelfde militaire oorsprong (de naam van de column en zijn hoofdpersoon is een omdraaiing van het woord Lunetten).

De Lunet verscheen acht keer per jaar. Dat was in het pre-digitale tijdperk nog een hele klus, met analoog knippen en plakken. Dit was de eerste column in nummer 7 van jaargang 8, september 1990.