NETTE NUL #10: ome Edo

Zoals overal en bijna altijd is ook de familie Nul een uiteenlopend gezelschap dat het op feestjes toch samen kan vinden. We zien het zwarte schaap naast een muurbloempje zitten, de bonte hond in een kring van grijze muizen.

Daardoor ontstaat op familiefeestjes een soort gemiddelde gezelligheid. We zien elkaar toch al zo weinig en ruzie maken is dan ook niet waarschijnlijk. We herkennen ook wel iets in al die heel andere mensen. Vroeger heette dat bloedverwantschap. Nu zien we de erfelijke structuur van de genen.

Oom Edo wist daar alles van. Die vreemde oom Edo wist van alles trouwens veel. Hij had mij, zijn neefje Nette, als kind de sterren aangewezen en koppen leren snijden uit hout.

Het was onduidelijk wat hij voor beroep had. Veel verder dan ‘iets op de Uithof’ kwamen we niet. De laatste jaren mocht ik hem beter leren kennen. Want hij praatte wel veel op feestjes maar gaf zichzelf nooit bloot. Vrijwel niemand kwam ook bij hem thuis. Voor zijn verjaardag huurde hij een zaaltje.

Het was bij één van de tantes thuis dat we aan de praat raakten. Het gesprek kwam vanaf de gelijkenis tussen zijn neus en die van zijn zuster, via erfelijke waanzin en de wetgeving rond erfenissen op genetische manipulatie. We kenden al de kruising tussen schaap en geit. Ik zei:

“Laatst las ik in de krant toch iets: ze hebben ergens de genen van een vuurvliegje in een tabaksplant geschoten. En het lukte – die plant gaf licht.”

Oom Edo wist de namen van het laboratorium en van de wetenschappers. Sterker nog, hij werkte zelf op een dergelijk lab aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Ik vroeg wat hij dacht van dergelijke experimenten bij mensen. Toen had oom Edo opeens alle interesse voor de haakwerkjes van nicht Anna.

Later die dag werd hij openhartiger:

“Weet je, Nette, nu kunnen we al veel met elkaar kruisen. Heel veel. Alleen mag het vaak niet. Ethisch enzo. Maar soms ben ik voor mezelf wat bezig, buiten de Uithof om en toch vlakbij.”

Hij gaf voorbeelden van wat allemaal mogelijk is maar zei over zijn eigen werk alleen:

“Ach ik wil daar gewoon iets aardigs nalaten.”

Afgelopen zomer is oom Edo bezweken aan een onbekende ziekte. Mij heeft ‘ie alleen een houtsnede nagelaten. Maar in Amelisweerd is me een bosje opgevallen. Manshoge boompjes waar in de lente gewone bloesem aan groeide. Nu hangen er een soort appeltjes. Vreemde appeltjes, het is net of er een slim gezichtje in zit dat me heel bekend voorkomt. Ik heb ze nog niet geproefd.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

Dit was de 10e column die verscheen in jaargang 9, nummer 7 in september 1991.

NETTE NUL #7: Romance

NETTE NUL #7: Romance

Op een maandag leerden ze elkaar kennen. Of had hij haar al eens eerder gezien, was zij hem al eens tegengekomen? Het kwam zo bekend voor. Bij het bridgen viel zij op door haar heldere alt die door de zaal klaterde. Hij was rond het biljart zo duidelijk aanwezig. Hij liep met waardige pas en verborg toch zijn emotie niet bij een gewaagde carambole. Ze praatten wat aan de bar, één droge sherry, één martini.

Meneer bleek weduwnaar, afgelopen november was het zeven jaar geleden. Hij wist zich prima te redden. Gedurende het lange ziekbed van zijn vrouw stond hij immers ook overal alleen voor. Mevrouw was al tijden gescheiden. Toen ze vijfenvijftig werd, merkte ze dat ze geen zin meer had om de schijn op te houden en huisvrouw te spelen voor haar man die zijn VUT besteedde aan het voorzitten van besturen.

Ze had gewerkt als lerares en was trots op haar onafhankelijkheid. Maar deze zware man deed haar iets. Hij had ietwat hangende oogleden zonder vermoeid te kijken. Ze kon zich voorstellen dat hij een lastig persoon was geweest, maar hij leek gerijpt als goede drank op eikenhout.

De man was dan wel weer net zo overtuigd vrijgezel als voor zijn huwelijk, maar deze vrouw had iets, de wijze uitstraling van een lieve tovenares. Alsof haar lichte ogen meer zagen dan anderen. Ze zouden zondag gaan wandelen.

theehuisrhijnauwen.nl

Bij een theehuis met rieten dak gingen ze zitten. Een plaatje om te zien. De kleding was een aantal maten wijder dan vroeger maar in die groene jurk kwam haar postuur goed uit. Gouden sieraden leidden de aandacht af van haar oude vel. Een sieraad was ook haar zilveren haar en niemand had last van de spataderen. Hij droeg een hoed, al had kaalheid hem enkel meer karakter gegeven. Het litteken van zijn laatste operatie was onzichtbaar onder het kostuum dat bijna weer modern was. Over die buik zou een horlogeketting heel mooi staan, stelde ze voor.

Ze spraken bedachtzaam zonder dat het gesprek stokte. Tot zijn verbazing wist ze niet alleen veel van de dierenriem maar doorzag ze ook politiek Den Haag. Hij verraste haar met nieuwe recepten. Ze bleven u zeggen maar waren eigenlijk gewoon verliefd.

Ze spraken ook over oud zeer, dat de tijd had moeten helen: twee broers die elkaar haten, een oom zonder hart, een jong gestorven kind, de vrouw die gek geworden stierf. Hun tafeltje was een intieme cirkel waar de ober verlegen van werd.

Een blinkende namiddagzon rekte langzaam hun silhouetten uit. Ze stonden op, hun schaduwen liepen in elkaar over. Ze gaf hem een arm, hij gaf haar een arm. Gearmd zoals alleen zo’n paar gearmd kon lopen, liepen ze door het grind van het terras. Ze gingen samen eten. Hij zou iets Indisch maken.


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten.

Dit was de zevende column die verscheen in jaargang 9, nummer 4 op 10 mei 1991.

Nette Nul #6: Buiten Utreg

Nette Nul #6: Buiten Utreg

“Doe maar een Spa-rood”, zei ik, en hij:

“Gewoon water. Nu moet je helder water in de fles kopen. Als knaap zag je het gewoon door de Kromme Rijn stromen. Kon je ook gewoon drinken, jazeker. Je kon de bodem zien, zo helder.

En als je dook moest je oppassen dat je niet boven kwam met een krab in je nek. De hele zomer hingen we daar rond. En vissen hè. Dat leerde Jan me: je breekt zo’n rietstengel doormidden en daar kan dan een wormpje zitten. Het heeft ook een naam, kokerrups of zo. Dat doe je aan je haakje en hij hangt nog niet in het water of weg is je dompelaar.

De scholen vis zwommen langs je kuiten. Daar zaten we dan als jongens. En appels jatten… sterappeltjes, ken je die? Onderlaatst was een ouwe buurman van me de boer op gegaan en die had ze nog. Je ziet ze anders nooit meer. Maar ja, dat was toen echt helemaal buiten, Amelisweerd en zo. Voorbij de spoorlijn daar bij de Jutfaseweg begon de polder. Dan heb ik het over nog voor de oorlog. Jutfaas was toen apart, een eigen dorp. Daar komt mijn vrouw feitelijk vandaan, van Jutfaas .

Dat groeit allemaal dicht hè. Ik ging van de week ’n end fietsen en kom door dat park. Daar heb je die brug over de snelweg. Nou, ben je daar overheen, dan zit je bekant al in Jutfaas, Nieuwegein dus.

Eerst was het nog van Lunetten, nou ja, we noemden het net een vakantiekolonie.

“Woonoord Lunetten” zei ik.

“Ja, haha, waar eh…, nee, maar eerst had je daar een stuk niets en dan opeens al die nieuwbouw. Nu zit er alweer een wijk aan vastgeplakt, bijna tegen Hoograven. De berg noemen ze het. In het krantje las ik dat ze daar vinden dat het iets aparts is. Dat zie je in Amersfoort, waar m’n zoon woont, ook. Woon je op de berg, dan zit je van eigens hoger.”

We rolden van zijn zware shag.

“Nee, de grenzen die je had vervagen. Heb ik tijd van leven dan is het dadelijk één grote nieuwbouwwijk tot over de Lek heen. Zul je zien, ze gaan het hier toch ook tot Houten dichtbouwen. Nu bij Amelisweerd weer, moeten er op de sportvelden zoveel honderd huizen komen. Ach ja joh, dat is toch geen Utrecht meer.

En het gaat maar door. Dubbele spoorlijnen, stationnetje erbij en nog één, meer kantoren, meer parkeren, ze doen maar. En eerst wel trammelant maken over een stukkie snelweg. Dan zeg ik, moet  je nou zien. Ik was daar laatst nog, in het bos. Maar ik rook gewoon die snelweg op honderd meter afstand. En dan denk ik bij m’n eigen: man man man…”


Naast mijn eigen verhaal zijn in dit stukje het spraakgebruik en verhalen van Piet de Rijk verwerkt. Ik was thuiszorgmedewerker bij hem, zijn vrouw met afgezet been en hun zwakbegaafde dochter Grada. Hij praatte origineel oud-Utrechts, met een zachte g. Hier schrijf ik het tamelijk ABN op, maar eigenlijk moet je bijvoorbeeld ‘maor’ lezen, ‘daolluk‘ en ‘ongderlaatst.’ “Ach ja joh, dat is toch geen Utrecht meer” klinkt dan als “àjgh jao, joh, dàs tojgh gjheun Utrejgh meer” maar dat lijkt me wat vermoeiend lezen.

Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. De krant werd huis-aan-huis verspreid in de Utrechtse wijk Lunetten. Het dus niet om het Molukse ‘woonoord’ in Kamp Vught, alhoewel beide domicilies hun naam danken aan een zelfde militaire oorsprong (de naam van de column en zijn hoofdpersoon is een omdraaiing van het woord Lunetten).

Dit was de zesde column die verscheen in jaargang 9, nummer 3 op 4 april 1991. De illustratie is gemaakt door Merel de Groot.

Topgrafie ca. 1930
topografie ca. 2020

NETTE NUL #1

NETTE NUL #1

Vacature: columnist

Binnen zaten twee mannen. De derde wijst mij een stoel aan deze kant van de tafel. Hij zet koffie met melk en suiker voor me neer en zakt weg in een stoel tot zijn kin bijna de tafel raakt. De figuur links houdt met één hand zijn hoofd recht, zijn elleboog leunt op tafel. Die tegenover me glimlacht, daar moet ik voor oppassen. Rechts zie ik mijn sollicitatiebrief wapperen.

– “Meneer… eh….” Hij praat of hij iets zoekt.

– “Nul,” zeg ik, “rondje.”

“U, eh… wil bij ons tijdschrift werken”, constateert hij, of een werkwoord van die strekking. Ik knik enthousiast en roer mijn koffie. Bijna spoelt het over de witte railing van het kopje. Hij laat een zucht en schuift mijn brief over tafel. Niet zo ver, vanwege zijn positie, maar de glimlachende man strekt uit, leest en verbreedt zijn grimas.

– “U bent,” leest hij half, “zeer genegen uw onleesbaar te steken in cursivering van onze pagina’s?”

– “Een woordspeling”, zeg ik. “Natuurlijk zal ik mijn bijdrage in het kader van de…”

– “Gaat u niet liever vissen, of een potje toepen aan de bar,” klinkt het opeens van links. Hij haalt een sigaret uit zijn mond en blaast drie kringetjes.

– “Nee”, zeg ik, verwonderd. “Ik vind vissen, nou ja…”

– “U heeft ervaring als columnist?” Het hoofd op de tafelrand, hij heeft haast.

– “Nou, ervaring, ik kan wel schrijven.”

– “Ook over tv?”

– “Ook, maar niet in kleur. Kijk, ik ben…”

– “En over Lunetten?” valt ‘ie me weer in de rede. “Kunt u ook over Lunetten schrijven”

Dat kan. Ik praat wat zinnen aan elkaar en neem een slok koffie. Eén druppel kruipt hinderlijk langs mijn kin, maar ik kom er niet toe die weg te vegen. De man voor mij:

– “Heeft u nagedacht over de beloning?”

– “Jawel. En waar had u ongeveer aan gedacht?”

– “Aan ongeveer niets.” Smalle glimlach.

De man links heeft nu mijn brief in beide handen en haalt die onder zijn ogen door.

– “Bent u eigenlijk wel grappig” peinst hij hardop. Ik schuif mijn stropdas recht, moet even slikken:

– “Ze moeten wel eens om mij lachen. Gewoon, mensen…, maar ik weet niet altijd waarom. Aan de andere kant, kleine kinderen…”

De man rechts schuift helemaal omhoog in zijn stoel. Hij lacht zonder veel geluid.

– “Goed, u bent grappig en u kunt schrijven, toch?

– “Dat zeker,” zeg ik, “Van a tot z in elke volgorde die ik wil. En in een mooi handschrift, al zeg ik het zelf.”

– “Schrijft u alles met de hand? – U doet het met papier? – Heeft u geen beeldscherm?” De vragen buitelen over tafel en ik knik trots, zeg nee en ja.

De drie kijken elkaar peinzend aan. Er fronsen wenkbrauwen, een mondhoek krult. Ik veeg de koffie van mijn kin en sta op.

– “Goedendag”, zeg ik. “U hoort nog van mij.”


Tussen 1990 en 1993 verscheen dhr. Nette Nul twintig keer in De Lunet, een uitgave van Stichting Welzijn Lunetten. Het gaat dan om de Utrechtse wijk Lunetten, niet om het Molukse ‘woonoord’ in Kamp Vught, alhoewel beide domicilies hun naam danken aan een zelfde militaire oorsprong (de naam van de column en zijn hoofdpersoon is een omdraaiing van het woord Lunetten).

De Lunet verscheen acht keer per jaar. Dat was in het pre-digitale tijdperk nog een hele klus, met analoog knippen en plakken. Dit was de eerste column in nummer 7 van jaargang 8, september 1990.

Zoo Palescue No.8: De het een ree

Zoo Palescue No.8: De het een ree

Voorpublicatie van het decembernummer van Veren & Vachten: 

Als je het bos ingaat zie je met reeën één van de Nederlandse big five. Sommige mensen zeggen dat ze herten zagen maar het hert en de (of het) ree zijn aparte soorten.

De ree is die inheemse Bambi aan de bosrand in de schemering, met flarden grondmist tot de schoften. Van oorsprong de meest voorkomende hertensoort in Europa, zijn ze langer op Aarde dan de mens. Uit het IJsselmeer zijn reegeweien bovengekomen van bijna een miljoen jaar oud.

Een ree is vooral herkenbaar aan de spiegel, die witharige vlek op de kont. De reebok, en soms ook de reegeit, heeft een klein gewei, sprietjes vergeleken bij andere herten. In de winter valt het af.

Het is nu winter. Na Sint Hubertus is ook de culinaire wintertijd ingegaan. Ree is dan het meest klassieke Kerstdiner. Eigenlijk moet je alleen vlees eten wat je zelf gedood hebt, maar dat is een ander verhaal.

Het ree is jagerstaal voor dit soort ‘roodwild’. De jacht op reeën is streng gereguleerd. Een provinciale stichting verleent volgens plan en na tellingen ontheffing om volgend seizoen een bepaald aantal door afschot te beheren. In de Wildbeheerseenheden (WBE) Lage Vuursche en De Eem werden vorig voorjaar 389 reeën geteld.

In de provincie Utrecht wonen 2.500 reeën samen met 1.285.000 mensen. In 2017 werden er 584 afgeschoten. Reeën, dan. Daarnaast vonden er 312 als ‘valwild’ de dood in het verkeer.

Begin twintigste eeuw kwamen reeën nog alleen voor op de Veluwe en in Limburg, en waren er zo’n drieduizend van. Door toegenomen aandacht en regels voor flora- & faunabeheer is de reestand inmiddels zogezegd op ree.

Ooit heb ik een ree beslopen en van dichtbij in de ogen mogen kijken. Een oogwenk lang. Toen was ze verdwenen en begreep ik iets van de of het, en één ree.

8 de het een ree -klein-IMG_20181029-2

En zo ziet het er dan uit in de december-editie, 12e jaargang, nummer 4. Het is wederom een fijn nummer geworden.

Commissie De Meisjes, Oog in Al

In Utrecht liet jonker Everard Meyster het buitenhuis ‘Oog in Al’ bouwen in 1664. Het was zijn derde. Amersfoort had hij al verblijd met de aanleg van de landgoederen ‘Nimmerdor’ en ‘Doolomberg’. Ook is hij verantwoordelijk voor De Kei van Amersfoort. Hij ging de weddenschap aan dat hij de bevolking zo gek kon krijgen dat ze een grote zwerfkei uit de buurt van Soesterberg, zo’n acht kilometer verderop, binnen de stadsmuren zouden trekken. En won. De jonker werd de stad uitgejaagd waar hij eenentwintig jaar had gewoond en kwam zo, inmiddels rond de vijfenveertig, terug in zijn geboortestad Utrecht. Daar bestond in die tijd een ambitieus plan om de stad in westelijke richting uit te breiden langs de pas gegraven Leidse Vaart. Om uitzicht te hebben op de aanstormende stad en wellicht ook om winst te maken door de verkoop van grond kocht hij een stuk land ‘aan de Noordzyde van de Leidse Vaart, een quartier uur gaans van Utrecht’, gemeten vanaf de Catharijnepoort.Op dat land bouwde hij zijn huis.

De westwaartse uitbreiding liet ruim tweehonderd jaar op zich wachten, maar het buitenhuis is gebleven. Dat wil zeggen, het hoofdgebouw, tuinmanshuis en de theekoepel zijn verbouwd maar nog steeds intact; een klassiek Romeins aandoend bouwsel met onbekende functie is rond 1780 verdwenen.
 
In 1918 werd het huis met omringende weilanden, in totaal zo’n twintig hectare, aangekocht door de gemeente voor 430.000 gulden. In de weilanden werd een tuinwijk naar het ontwerp van Berlage aangelegd en het oorspronkelijke landhuis werd als theehuis het middelpunt van een nieuw openbaar park. Sinds 1961 zit er een dependance van de openbare bibliotheek. De bijbehorende theekoepel aan de Leidse Vaart biedt sinds eind 19e eeuw ook uitzicht op het Merwedekanaal en het pittoreske sluizencomplex daarin. In de oude tuinmanswoning huist, of huisde in ieder geval in de jaren rond 1980, het gezin van een opzichter bij de plantsoenendienst.
Het is nog steeds een kwartier lopen vanaf het centraal station of Hoog Catharijne (“Winkelhart van Nederland”) naar Oog in Al, een wijk met de sfeer van een villadorp.
Aanvankelijk wilden mensen er niet wonen, het was te modern naar de smaak van de tijd. De architect Rietveld heeft er gewoond (in de Bachstraat) en heeft er ook een paar woningen achtergelaten die staan aan wat nu Jochem Uytenhaageplantsoen heet (pro memorie: de jongen die in 2002 Olympische medailles hardschaatsen won woonde daar, doet inmiddels in ‘sport & lifestyle coaching and training’ en woont daar volgens mij nog steeds).
Na de Tweede Wereldoorlog werd het juist een ouderwetse wijk, een ‘dorp in de stad’ waar duidelijke, ongeschreven regels golden. De heggen waren goed geknipt. In de jaren negentien negentig werden de jaren dertig woningen mateloos populair onder hooggeschoolde tweeverdieners en verjongde de wijk enorm. Voor de ouderen waren inmiddels speciale voorzieningen aan de rand van de wijk beschikbaar.

Als rijke mensen een beetje vreemd zijn heten ze excentriek. Dat is ook de faam van de ‘dolle jonker’ E. Meyster. Zo was zijn eigen uitbreidingsplan voor Utrecht geschreven op rijm en liet hij verschillende bizarre publicaties uitkomen. Zijn landgoederen moesten zijn ideeën verbeelden. Het mag geen wonder heten dat hij na zijn dood wilde voortleven, en niet alleen als naamgever van een laan in ‘zijn’ wijk en in de bijnaam van de stad Amersfoort en haar bewoners. In het laatste kwart van de twintigste eeuw is de jonker dan ook aan deze kant van gene zijde gesignaleerd, om precies te zijn in zijn oude tuinmanswoning en wel in de gedaante van zijn broek.

Landhuis, nu bibliotheek: Park Oog in Al 1 (1966)
De kinderen van de Groenopzichter zagen hem het eerst:
“Mamma, er loopt een broek door de kelder.”
“Ach, ongeremde kinderfantasie” dacht ze.
Maar later zag ze zelf inderdaad een losse, lege broek door de kelder lopen en al lopend verdwijnen in de muur. De heer des huizes vroeg de bekende paragnost Leo Pannekoek om de zaak te onderzoeken. Pannekoek kwam en, verdomd, hij voelde inderdaad enige ‘aanwezigheid’ in de kelder. Hij vroeg door over de broek die was gesignaleerd en deed nader onderzoek. Het bleek een typisch eind zeventiende-eeuwse broek te zijn.
“En waar is die broek precies verdwenen?”
Paragnost Pannekoek raadde aan wat stenen uit de keldermuur te breken en zo werd een nog onbekende, lege ruimte ontdekt, zonder broek.
Ook is waargenomen dat in het torenkamertje van een oud huis aan de overkant van de Leidse Vaart soms midden in de nacht een kaars brandt. Een jonggestorven geliefde van (de broek van) Everard Meyster zou daar gewoond hebben.
Lopend door de bochtige lanen met de namen van antieke dichters en klassieke componisten hoor je de geheimen fluisteren achter de bakstenen muren van het dorp Oog in Al. Drama’s achter de begonia’s, hartstochten gesmoord in nimmer dorre coniferen.
Ik ken een familie die er al decennia woont. Mevrouw is een geboren Utrechtse, meneer is oorspronkelijk een kaasboer uit het Groene Hart. Toen hun jongste kind, een dochter, werd geboren leefden ze op de Richard Wagnerlaan. Daar woonden ze nog toen de kleine meid zes jaar was. Op een nacht lag ze rustig te slapen op dezelfde kamer als haar twee broers en zus. Plotseling werd ze wakker met een onbestemd gevoel.
Ze zag een vrouw in de kamer staan, of beter, een vrouwelijk silhouet, gehuld in een lichtblauwe robe. Haar gezicht was niet zichtbaar. Ze zei niets. Met ingehouden adem bleef het meisje liggen kijken, wachtend tot de vrouw bewoog, of iets zei. Plots hoorde ze haar oudste broer fluisteren:
”Mama, ben jij dat?” en even later:
“Wie ben jij?”
Maar de vrouw antwoordde niet. Ze bewoog ook niet. Na tien heel stille minuten ging ze geruisloos naar het raam, zijwaarts schrijdend. Onzichtbare armen bewogen als trage engelenvleugels soepel onder haar blauwe kleed. Zo ging ze het raam uit en is ze verdwenen, opgelost, alsof zij nooit was verschenen.
De jongste dochter vraagt zich nog steeds af hoe het gezicht van de vrouw eruit zag en of ze haar misschien iets had moeten vragen, maar wat?
Mozartlaan, links de R. Wagnerlaan, rechts park Oog in Al (1936).
Oog in Al, een tuinwijk met ‘s winters een zwerm spreeuwen in het park. Bij het kanaal stond tot een oude fabriek waar sojameel wordt gemaakt. Een comité was daartegen, en de gemeente gaf in 2001 een oprotpremie van 37 miljoen gulden. In de wijk zijn scholen waar veel gewone kinderen gewoon naar school gaan.
Lopend door de bochtige lanen met de namen van antieke dichters en klassieke componisten hoor je de geheimen fluisteren achter de bakstenen muren van het dorp Oog in Al, hoor je de skeletten rammelen in de muurkasten van de klassiek gemeubileerde kamers en-suite.
De familie die ik ken heeft lange tijd geleefd van de meubelhandel en woninginrichting. En, ja, levering van bankstellen, stoelen en kasten, gordijnen en luxaflex, behang en tapijt betekent dat je letterlijk bij de mensen over de vloer komt. Zo had de zaak een huishouden als klant dat bekend stond als De Meisjes. Niemand kende eigenlijk de achternaam van het merkwaardig samengestelde ‘gezin’. Moeder de vrouw bestierde het huishouden en ving van alle kanten geld voor haar vreemde kostgangers. Ze had één pleegzoon die later elders werd geplaatst: Bert, in de wandeling Bert Met Het Ei, want hij had zo’n joekel van een bult bovenop zijn hoofd. Er was ook een zwakbegaafde dochter, die had ze van zichzelf. Vanwege de oorspronkelijke gezinssamenstelling van moeder en dochter stond het huis met de bewoners bekend als De Meisjes.
Moeder De Meisjes kreeg dus voor de zoon-met-het-ei geld om hem in huis te houden en voor de dochter omdat ze die thuis hield. Voor zichzelf had ze natuurlijk ook een uitkering. En ze had ook voor haar gehandicapte vriendje een maandelijkse toelage geregeld. Want die huisde daar ook: de Blinde Fotograaf. Nee, hij is niet altijd blind geweest, het was al een oudere man die niet meer werkte. Dat was haar scharreltje. Omdat ‘ie door zijn blindheid overal in huis as morste mocht hij alleen nog op de WC zijn sigaretje roken. Hij kreeg eens een horloge van zijn geliefde vriendin. Hij kon de tijd er niet van aflezen, maar was zo blij als een kind en liet de hele buurt naar zijn klokkie kijken:
“Ik heb een gouden horloge van haar gekregen. Mooi hè.”
En iedereen, behalve hij, zag dat een goedkoop blikken dingetje was.
Tenslotte was er nog De Jamkoker, die zo heette omdat hij werkte in een jamfabriek. De Jamkoker was van niemand familie maar ook hij wierp zijn inkomen altijd braaf in de schoot van Moeder De Meisjes. Hij was feitelijk de kostwinner in huis maar hoe die relatie nu zat met moeder of dochter, of met wie dan ook – we weten het niet, maar Moeder De Meisjes ging over de gezamenlijke pot. Dat was duidelijk.
Het huishouden werd vervolmaakt door de bokser, zo’n hond met een platgeslagen neus en een laag voorhoofd, een soort dat nogal eens kwalijk wil rieken. De bokser werd dan ook elke dag rijkelijk geparfumeerd. ‘s Morgens pakte Moeders het parfumflesje met een kwastje aan de verstuiver en besproeide zijn hele hondenlijf. Meneer pastoor werd trouwens ook vaak gesignaleerd bij De Meisjes maar het is niet zeker of ook die dan geld meenam.
Bunker vermomd als huis in het park
Lopend door de bochtige lanen met de namen van antieke dichters en klassieke componisten hoor je de geheimen fluisteren achter de bakstenen muren van het dorp Oog in Al en zie je als vreemde uit een ooghoek vitrages opzij schuiven, zelfs als het huis verlaten is.

Hoewel ze de meest bijdehante van het stel was, leek mevrouw De Meisjes ze niet allemaal op een rijtje te hebben. Drie keer in de maand belde ze naar de Woninginrichting voor nieuwe spullen, vooral behang. Telkens moest er een ander behangetje komen want
“Nee, ik vind het toch niet zo bij de rest kleuren.”
Buiten de lokale middenstand profiteerde vooral haar zwakbegaafde dochter van de aanwezige centen. De dochter werd behandeld als een prinses. Haar pleegzoon Bert had het echter zwaar te verduren. Hij moest alle klusjes opknappen die zijn pleegmoeder in het hoofd had en hij moest dat doen op de manier die haar aanstond.
Dus begon Bert Met Het Ei de dag met een bezoek aan bakkerij Do Schat voor een halfje wit of bruin, al naar gelang De Meisjes wensten. De bokser, een uur tegen de wind in stinkend, ging steevast mee. De eerder genoemde jongste dochter had rond acht uur altijd dezelfde missie en stond vaak met Bert in de rij.
“Stakker van een dier, en stakker van een Bert.”
De kleine meid was ervan overtuigd dat de hond een zeer menselijke eigenschap bezat:
“Pas op”, zei ze tegen iedereen, “niet roddelen over andere mensen, hoor. De hond hoort alles en vertelt alles door.” Het meisje was zeer beducht voor de bokser.
Elke dag ging Bert ook langs de groenteman en haalde daar elke dag aardappelen en prei. Daarna kon de slager bezoek van Bert verwachten. Hij kocht daar voor kapitalen aan vlees. Daarnaast was Bert buiten te zien als hij het bestek moest poetsen. Met zijn rossige haar rond die nooit slinkende buil zat hij dagelijks voor de huisdeur, met de besteklade op zijn knieën en het busje zilverpoets naast zich. In alle jaargetijden die Nederland heeft te bieden – lauwe regen, warme regen, koude regen en sneeuw – zat Bert Met Het Ei op de stoep het zilver poetsen. En ook moest hij, weer of geen weer, buiten de was doen voor het hele huishouden. Achter in de tuin, die door schuttingen een binnenplaatsje was geworden, in een grote houten tobbe. Moeders was dan gewoon om zonder veel plichtplegingen haar directoire uit het slaapkamerraam te gooien:
“Hier, Bert, vangen.”
Het werkse leven van Bert speelde zich verder af achter de geraniums en gordijnen van huize De Meisjes. Wat hij dan zoal deed bleek bij de keren dat de woninginrichter langskwam. Ze zagen Bert altijd zitten op een stoofje in de steenkoude keuken. Aardappels schillen, dezelfde die hij ‘s morgens bij de groenteman had moeten halen en die hij ‘s avonds moest vermalen, drijvend in de vette jus, gemaakt met een heel pak boter. Dat had hij hard nodig, vond moeder De Meisjes, voor zijn zware programma overdag. Want terwijl Bert boodschappen en klusjes deed, kwam mevrouw De Meisjes alleen buitenshuis om nieuwe meubeltjes uit te zoeken bij de Woninginrichting. Dan kon ze weer even in de buurt zijn van de knappe stoffeerder die er werkte. Ze had al die tijd een oogje op hem en misschien was dat wel de enige reden voor haar klandizie. Terwijl zij futiele pogingen deed om zijn liefde te winnen, haalden de stoffeerders weer nieuwe bestellingen voor Commissie De Meisjes binnen.
Plastiek van E. Dodeigne, geplaatst 10 juli 1980
Op een kwade dag ging de Jamkoker dood. Hij viel dood neer na een hartstilstand. Paniek. Het hele huishouden (op de hond na) raakte zo in verwarring, dat ze naar het medicijnkastje snelden en handenvol van elkaars medicijnen naar binnensloegen: de pillen voor het zwakke hart van de Jamkoker, de kalmeringsmiddelen van Moeders, die tegen epilepsie van de dochter, de oogdruppels van de Blinde Fotograaf, bloedverdunners en bloeddrukverlagers, de hele bliksemse boel slikten ze door elkaar naar binnen. Het gevolg laat zich raden: de hele familie volgde de Jamkoker naar het ziekenhuis (ze waren erg aan elkaar gehecht) alleen lag Jamkoker in het mortuarium en de rest op de Intensive Care.
Kort na hun ontslag uit het ziekenhuis zijn ze verhuisd naar het voormalige dorp Vreeswijk, nu opgenomen in Nieuwegein. Weer later zouden zij zijn verhuisd naar Nigtevecht. Verder is niets meer van het huishouden vernomen. Wel is bekend dat de bokser inmiddels het leven gelaten heeft, eindelijk verlost van het parfum waar zijn gevoelige hondenneus gek van geworden moet zijn.
“Een vreemd stel mensen”, vindt meneer, “Maar, het was een goeie klant.”
In een punt tussen twee kanalen en van de beruchte wijk Kanaleneiland gescheiden door de uitvalsweg naar het westen, ligt de woonwijk Oog in Al. De rondweg heeft een brede middenberm met hoge bomen en een mooie beeldengroep: “Drie Gestalten.”  Drie mistroostige klompen steen die doen denken aan regen en die luisteren naar gefluisterde geheimen uit de bakstenen muren van het dorp Oog in Al.
Bronnen:
          “Parken in Utrecht”, red. Bonica Zijlstra, historische reeks Utrecht, dl.11 (Matrijs, Utrecht,1988).
          Het ontstaan van Oog in Al, Raphaël Rijntjes, Architect, 2008. www.mensenmakenooginal.nl/

– Dit verhaal door palescue is op 1 februari 2004 verschenen in e-zine Writer’s Block. Voor deze versie is het behoorlijk geredigeerd en aangevuld met nieuwe Keiharde feiten. – IP Fisher, 30 mei 2013.