Slang

Slang

ouroboros1Ik weet niet hoe lang het duurde voordat ik kon lezen maar ik zal nog niet lang geleefd hebben, en ik weet niet hoelang het leren duurde, het zal vrij kort geweest zijn. In mijn beleving leerden we de letters en konden meteen lezen.

Ik weet nog de letter S, daar had juf Osnabrugge een slang van getekend. Dat was grappig, vond ik, maar waarom schreef ze niet het hele woord? We leerden netjes schrijven in groene schriftjes met balken van lijnen, bijna een muziekschriftje. We kregen een blauwschrijvende doorzichtige Staedler Stick als wapen. We hadden een rode plastic letterdoos waar in vakjes de letters op dunne plastic blokjes waren verzameld. Uit de verzameling knutselden we in het deksel een kleinere verzameling en voilà, een woord. Slang.

Ik las alles wat ik zag en zag alles lezend. Ik beleefde alles als geschreven, dat wil zeggen, ik schreef wat er was, las het, en was wat ik las.

“Hij loopt het schoolplein op. Winnetou ziet in het midden een groepje meisjes staan. Links zitten anderen achter hun rijtje knikkers. Vier knikkers of twee bommen is

“Acht tegels, ja?”

Hij zegt: ”Ja.”

letterdoosIk zag de kinderen met hun spelletjes, maar ze deden het expres. Het was net zo menens als de grote mensen die ik zag met hun eigen spelletjes, onderling, en die met kinderen. Ze begrepen kinderen niet, niet echt, en snapten zeker niet dat ik hen wel begreep. Meestal. En de grote jongens op hun brommers en hun onzekere stoere spel met het gevaar. Ik las ze, en paste op.

Zo las ik de wereld en de boeken – die op papier en in mijn hoofd – vormden mijzelf, sleten mijn origineel uit tot dundruk pagina’s. En de wereld misvormde dapper mee in opvoeding en socialisatie. De volkomen ziel die ik had bij geboorte werd als een steen bewerkt. De stukken vlogen eraf. Er werd gebeiteld en gevijld. Water en zandstormen slepen vreemde vormen uit. Was ik lezend al bijna onzichtbaar voor de buitenwereld, in de binnenwereld vervaagde mijn oorspronkelijke zelf meer en meer. Steen verbrokkelt en spoelt weg.

En het werd later, ouder, en ik zag iedereen slagen die probeerde iemand, of op zijn minst iets te zijn. Ik las ze en schreef ze over, werd ook iemand, of iets, maar nooit lang. Dat is saai – net als sokken en ondergoed moet je dagelijks wisselen van personage. Dan blijven ze fris.

Op mijn zolderkamer hing een foto die Anton Corbijn had gemaakt, uit bowie_elephant manMuziekkrant Oor gehaald: David Bowie, de perfecte gentleman-ster met het telkens wisselende personae in bijpassende kostuums met alleen een lendendoek om, zoals hij speelde hij in het toneelstuk The Elephant Man, over een ernstig misvormde man.

Als een spons zoog ik de wereld op en lekte die in kleine plasjes terug op papier. Die werkelijkheid ‘in mijn eigen woorden’ bleek net zo echt als de rest. Fascinerend, maar eigenlijk heel logisch, want wat ik op papier zet is niet meer dan hergebruik. Mijn ‘Slang’ uit de letterdoos onderscheidt zich niet van een ander. Toch, de ingelezen woorden zijn verwerkt, vergist, en als ze worden teruggespuwd klinkt persoonlijkheid door in de zinsbouw en verteltrant: stijl: mijn stem is anders dan de jouwe.

In wat ik schreef zag ik mezelf, tussen de regels door. Soms zag ik mijn profiel bijna letterlijk in het woordbeeld van een pagina. Met mijn stempel en handtekening. Zou wat ik schreef zo niet een paspoort kunnen zijn naar mezelf, een weg terug?

Maar mij zelf zal je hier niet tegenkomen. Lezend kan je mij niet zien. De ware ik zit in het kind dat zich nog niet las. Ik kan geen cirkel maken door de slang zijn staart te laten zijn.

I.P. Fisher 2014

NCHTGDCHT

NCHTGDCHT










Voor mensen zoals jij
en ja, dus ook voor mij
blijft liefde zelden zonder straf.
Je komt er niet mee weg
zonder krassen in de lak.
Voor mensen zoals wij
voor jou en ook voor mij
is de nacht niet lang genoeg
we blijven liever rijden tot het eind
door lege straten met lantaarns
Bij mensen zoals wij, bij jou en mij,
werd de ziel van jongsaf aan gebutst, verzaagd
maar groeide telkens ook weer aan
op een andere plek
en vaak te laat
voor mensen zoals jij
en ja, ook voor mij

Palescue, april 2014

Mummie. Er is verband.

Er is verband.

Bewegingloos lig ik op een niet te harde, ook niet te zachte ondergrond.

Ik weet niet waar de randen zijn, of ik op de vloer of hoger lig – of lager, ondergronds…

Ik kijk door de mazen, een waas van gaas,

zie de draden door mijn oogharen, katoen met de geur van jodium en papier.

Verder zie ik niets, een wittige omgeving, een schemerige ruimte in gefilterd licht.

Ik voel dat mijn armen over mijn borst zijn

ingewikkeld. Mijn benen zijn languit tegen elkaar

omzwachteld. Geen pijn, geen spalk.

Mijn hoofd kan draaien, maar optillen kan ik het niet.

Mijn lijf ligt vast.

Het is niet donker, ook niet licht.

Het is niet koud, maar warm ook weer niet.

Het is onduidelijk waar binnen buiten wordt, of er wel muren zijn,

en of er een plafond is, en waar dat dan begint.

Geen paniek, vooralsnog

heb ik geen honger, ben ook niet vol, en geen dorst;  

hoef niet naar de wc maar voel  me ook niet verlost.

Ik val niet in slaap maar word ook niet wakker –

Omfloerst bewustzijn van een ongekende ruimte in een onbekende tijd:

Hier en nu.

Ik leef ik weet niet meer hoe lang al.

Ik adem, denk ik, in en uit.

Het is stil.

Mijn stem roept geen echo op.

 
 
I.P.Fisher, 14JAN2013

Tweede Kans

Bij de spoorwegovergang stond een bord: “WACHT tot het rode licht gedoofd is. Er kan nog een trein komen.”

 

Ik schrok terug van het geweld waarmee de intercity langs kwam razen.

In het leven krijg je zelden het geluk van een tweede kans.

Maar er kwam echt nog een trein.

IP Fisher
(Tekst 02 APR 2012; Foto 12 MEI 2012)

Als je in het nu leeft ben je dood





Kunstwerk van voetkoffers en gedicht,
Martini Ziekenhuis, Groningen (*)

… en ergens ben ik het er ook mee eens dat je Nu moet leven, “in het moment”, en dat iedereen even de tijd, nee, het Nu moet nemen om geconcentreerd te gaan luisteren naar de nieuwe cd’s van Spinvis en Tom Waits – bij voorbeeld. Maar daar ga je al, muziek, alle podiumkunsten, bestaan alleen in de tijd.

Aan de oevers van de tijd,

vertaalde Erik de Jong in een Spinvislied op zijn verleden CD. En daar moeten we het maar mee doen, meer is niet mogelijk Een gebouw, een foto, een landschap komt dichter bij de vastlegging van het nu… en dan nog: de foto eist belichtingstijd, het gebouw onderhoud, het landschap een wolk die overdrijft en het kantelende licht van de zon die onherroepelijk opkomt en weer ondergaat terwijl de boer… zijn beide zegeningen telt.

Onderwijl

stroomt het water onder de brug door, en niet alleen het water. Ook zonder druk is alles vloeibaar en is dat Alles in elk moment uniek en kunnen we maar één kant op, immer gerade aus. Zonder een volgende stap, zonder een volgende harteklop, zijn we hardstikke dood.
Stilstand is achteruitgang – was het maar waar! Even een time out, tikkie terug, Undo en weer verder, verbeterd…. maar… is dat wel beter? Je kan niet van die mooie zonsondergang genieten zonder mee te maken hoe je daar, op dat moment, met die persoon bent gekomen en zonder er in een ander moment profijt van te hebben, in de vorm van ervaring, herinnering, groei…


En vanuit dat oogpunt is het “leven in het nu” een waardeloos advies, een modieuze stoplap uit de koker van navelstaarders. Ik weet, het zal wel goed bedoeld zijn, tegen het jachtige en oppervlakkige leven zonder reflectie…zeker in deze tijden van telefoon en stoomboot en zo meer, maar er schuilt ook een oproep tot bewuste domheid in. Het verleden is er niet voor niks, de toekomst ook niet, en we leven altijd, op elk moment, met één been in beide toestanden (en met hoeveel benen zijn nu helemaal gezegend?). Zonder de vorige stap stonden we niet hier en kunnen we ook de volgende stap niet zetten.


Goed, je bent een engel en kan vliegen. Het klinkt misschien raar maar ook dat…begint met babystapjes. Alleen een steen leeft in het nu en verbrokkelt zonder bewustzijn. Zelfs microben reageren op hun omgeving en we kunnen een voorbeeld nemen aan de bomen – dat we niet rond hoeven te rennen om bij te leren, sterker nog

Groei is niet gelegen in beweging,
vooruitgang zit niet in verplaatsen.
groei is de plek die je bent vergroten
De hoogte in en in de breedte, rondom
de wereld elk jaar weer een beetje weidser
zien – zijn – worden – blijven


I.P. Palescue
13nov2011

(*) de tekst naast de koffervoeten  tussen de roltrappen in het Martini:
Onderwijl, gaat het maar door,
                wat ik ook wel
                of niet doe
Onderwijl, gaat snel
                  links, rechts, achter, voor,
                  waar ik stilsta
                  doet er niet toe
                 en
Onderwijl, laat ik na
                 te zijn
                 in het moment.
                                                                                             Linda Keuris

Ik slaap dus ik woon dus ik besta

Sinds tamelijk onlangs ben ik aan het wonen na een tijd op verschillende adressen, ja, ook gewoon gewoond te hebben. Thuis, daar woon je. ’t Huis, de woning – een machine om in te wonen. Maar wat doe je daar? De werkende mens doet er weinig meer dan slapen en eten. Dat kan ook elders. Alles kan altijd anders, en ergens anders. Dat is het vermoeiende van het leven, maar dat terzijde. Wat is wonen? Wonen is min of meer permanent ergens eigen onderdak hebben. Het primaire element van wonen is dus een dak, en muren – beschutting tegen de elementen en andere mensen. En dan? De vijf functies van het wonen, lees ik, zijn:
“- Eten (keuken en eetruimte)” – Benodigdheden: koelkast, voorraadkast, fornuis. Vuur. Essentieel is hier brandstof, de energievoorziening – of het nu gas of elektra is of je eigen setje zonnepanelen.
De keuken is de plek om eten te bereiden, niet direct de plaats waar je ook eet. Nu ben ik niet de enige die staande aan het aanrecht ontbijt, maar dat is, dunkt me, geen volledige invulling van de functie Eten. Het aanrecht is overigens ook een essentieel onderdeel van een keuken, en ook een bron voor de schoonmaakroute. Zo komen we op de functie:
“- Verzorging (sanitaire ruimten)” – schoonmaken is een belangrijke functie die bij elke activiteit terugkomt, behalve misschien lezen. De meeste tijd bij elke klus gaat zitten in opruimen en schoonmaken. Ingrediënten, gereedschap, de gebruikte ruimtes, kleren– alles moet eerst worden geordend, dan gebruikt en tenslotte worden schoongemaakt en opgeruimd.
De “sanitaire ruimten” of “natte groep” betreffen vooral de verzorging van de bewoner op de wc en in de badkamer. De woning zelf moet ook worden bijgehouden. En het belangrijkste schoonmaakmiddel is water, het essentiële onderdeel hier. De Kraan. Een wasmachine zou wel handig zijn, maar je kunt natuurlijk ook naar de beek lopen of de wasserette. Onder verzorging versta ik ook kleding en schoeisel. De functionele indeling van een huis gaat hier mank, want het verzorgen van de uiterlijke mens valt volgens Bartjens in de functie
“- Slapen (slaapkamer)” – slapen  doe je in de trein en op je werk. Maar het kan ook thuis. Het liefst in een bed – het volgende essentiële element – maar in principe is elk zacht horizontaal vlak in een warme omgeving met gedempt licht geschikt.
 Als je alle woonfuncties zou uitbesteden (buitenshuis eten dus, naar de wasserette, douchen op de sportclub etcetera) is het  slapen het duurste – tevens meest waardevolle – element. Niemand wil echt permanent op een bankje in het park of verscholen onder een plastic zeil in het bos leven. En zo kom ik op een functie die niet in het rijtje staat.
Ergens wonen is een belangrijk onderdeel van je identiteit. De vraag ‘Waar woon je’ is een deelvraag van “Wie ben je?” – vooral als de vraag gesteld wordt door één onzer Instanties. Een staatsgerelateerde instelling, een bank of verzekeringsmaatschappij in Nederland neemt geen ander antwoord voor lief dan het adres waarop je staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie. Vraag het die zwerver maar, een functionerend postadres is een waardevol iets, vaak de eerste stap uit het zwervend bestaan. Sorry, maar zonder adres en Burger Service Nummer besta je niet en ben je in een nog lastiger parket beland dan “gewoon” illegaal zijn. Niet alleen ‘zonder vaste woon of verblijfplaats’, maar feitelijk rechteloos, al zal niet elke jurist dat beamen.
Zo wordt de slaapkamer de crux van het wonen, ook omdat hier, onder je dekbed, het beschutte ‘onderdak’ zijn het meest voelbaar, is. Bovendien is er nog een andere, verzorgende, functie waarin de slaapkamer een cruciale rol heeft. De slaapkamer is doorgaans gelieerd aan onze garderobe maar de slaapkamer is hopelijk ook de plek waar je in slaap valt en ontwaakt met je Lief, en de plek waar je uiteindelijk het meest de Liefde bedrijft…waarna je pas echt kan
“- Relaxen (woonkamer, tuin, terras)” – In de woonkamer wonen we dus eigenlijk, maar dan zou de functie van wonen alleen “effe zitte” zijn…volgens mij lopen we er vooral doorheen, onderweg naar iets anders, maar dat is niet ontspannend. En iedereen met een tuin weet dat het daar heel ontspannend, maar evenzogoed hard werken is.
In de woonkamer wordt ook bezoek ontvangen, in ‘de mooie kamer’ op de beletage worden de meest gewichtige en luchtige gesprekken gevoerd, veel minder aan de spreekwoordelijke keukentafel. Relaxen? Hmmm… En wat betreft essentiële elementen… de zitelementen,  of toch de laptop en/of tv? Het raam naar buiten: uitzien op de straat. Ja, dat is het. Communicatie is hier het essentiële element, inclusief de internetaansluiting die niet aan een bepaalde ruimte is gebonden. De woonkamer is de interface tussen de privé wereld en de openbare buitenwereld, waarin we
“- Werken (study)”, de studeer- en/of hobbykamer, de bibliotheek. Essentieel element is hier de tafel. Geen eettafel maar werktafel, in de brede zin, tot aan strijkplank. En als ik zeg dat we in de buitenwereld werken is het eerder zo, dat daar het resultaat van ons werk zich materialiseert. Iets te filosofisch verwoord, kort door de bocht? Jammer dan, misschien kom ik er later op terug. Want werken, daar kan ik nog wel een paar woorden meer over kwijt. Alles is werk. Alles wat moet. Wonen is een werkwoord.

I.P. FISHER