4 Status Quotes

2 on Music / over muziek

1) Frank Zappa

 

I saw music coming out of the speakers

& had to breathe through my ears

 

Ik zag muziek uit de boxen komen

& moest ademen door mijn oren

 

@ Ahoy Rotterdam, 1980’s

2) Satie / De Leeuw

 

The cathedral of  Satie is built with burning matches

& each time Reinbert de Leeuw copies it  note by note

 

De kathedraal van Satie is gebouwd uit brandende lucifers

& Reinbert de Leeuw maakt ‘m telkens noot voor noot na

 

@ Ruïnekerk Bergen, 2018

2 on Politics / over Politiek

1) Koers / Course

 

Politiek zet in het algemeen niet de koers uit voor de volgende generatie

maar verankerd eerder de ideeën van de vorige

 

Politics in general does not so much set the course for the next generation

as it anchors down the ideas of the previous one

2) Oogkleppen / Blinders

 

Slechts met oogkleppen op  ziet men de stip op de horizon

zei een wijsgeer nooit

 

Only with blinders one sees the dot on the horizon

a sage never said

(c) I.P. Fisher, 2018

4_StatusQuotes_20180523_klein

Slang

Slang

ouroboros1Ik weet niet hoe lang het duurde voordat ik kon lezen maar ik zal nog niet lang geleefd hebben, en ik weet niet hoelang het leren duurde, het zal vrij kort geweest zijn. In mijn beleving leerden we de letters en konden meteen lezen.

Ik weet nog de letter S, daar had juf Osnabrugge een slang van getekend. Dat was grappig, vond ik, maar waarom schreef ze niet het hele woord? We leerden netjes schrijven in groene schriftjes met balken van lijnen, bijna een muziekschriftje. We kregen een blauwschrijvende doorzichtige Staedler Stick als wapen. We hadden een rode plastic letterdoos waar in vakjes de letters op dunne plastic blokjes waren verzameld. Uit de verzameling knutselden we in het deksel een kleinere verzameling en voilà, een woord. Slang.

Ik las alles wat ik zag en zag alles lezend. Ik beleefde alles als geschreven, dat wil zeggen, ik schreef wat er was, las het, en was wat ik las.

“Hij loopt het schoolplein op. Winnetou ziet in het midden een groepje meisjes staan. Links zitten anderen achter hun rijtje knikkers. Vier knikkers of twee bommen is

“Acht tegels, ja?”

Hij zegt: ”Ja.”

letterdoosIk zag de kinderen met hun spelletjes, maar ze deden het expres. Het was net zo menens als de grote mensen die ik zag met hun eigen spelletjes, onderling, en die met kinderen. Ze begrepen kinderen niet, niet echt, en snapten zeker niet dat ik hen wel begreep. Meestal. En de grote jongens op hun brommers en hun onzekere stoere spel met het gevaar. Ik las ze, en paste op.

Zo las ik de wereld en de boeken – die op papier en in mijn hoofd – vormden mijzelf, sleten mijn origineel uit tot dundruk pagina’s. En de wereld misvormde dapper mee in opvoeding en socialisatie. De volkomen ziel die ik had bij geboorte werd als een steen bewerkt. De stukken vlogen eraf. Er werd gebeiteld en gevijld. Water en zandstormen slepen vreemde vormen uit. Was ik lezend al bijna onzichtbaar voor de buitenwereld, in de binnenwereld vervaagde mijn oorspronkelijke zelf meer en meer. Steen verbrokkelt en spoelt weg.

En het werd later, ouder, en ik zag iedereen slagen die probeerde iemand, of op zijn minst iets te zijn. Ik las ze en schreef ze over, werd ook iemand, of iets, maar nooit lang. Dat is saai – net als sokken en ondergoed moet je dagelijks wisselen van personage. Dan blijven ze fris.

Op mijn zolderkamer hing een foto die Anton Corbijn had gemaakt, uit bowie_elephant manMuziekkrant Oor gehaald: David Bowie, de perfecte gentleman-ster met het telkens wisselende personae in bijpassende kostuums met alleen een lendendoek om, zoals hij speelde hij in het toneelstuk The Elephant Man, over een ernstig misvormde man.

Als een spons zoog ik de wereld op en lekte die in kleine plasjes terug op papier. Die werkelijkheid ‘in mijn eigen woorden’ bleek net zo echt als de rest. Fascinerend, maar eigenlijk heel logisch, want wat ik op papier zet is niet meer dan hergebruik. Mijn ‘Slang’ uit de letterdoos onderscheidt zich niet van een ander. Toch, de ingelezen woorden zijn verwerkt, vergist, en als ze worden teruggespuwd klinkt persoonlijkheid door in de zinsbouw en verteltrant: stijl: mijn stem is anders dan de jouwe.

In wat ik schreef zag ik mezelf, tussen de regels door. Soms zag ik mijn profiel bijna letterlijk in het woordbeeld van een pagina. Met mijn stempel en handtekening. Zou wat ik schreef zo niet een paspoort kunnen zijn naar mezelf, een weg terug?

Maar mij zelf zal je hier niet tegenkomen. Lezend kan je mij niet zien. De ware ik zit in het kind dat zich nog niet las. Ik kan geen cirkel maken door de slang zijn staart te laten zijn.

I.P. Fisher 2014

De grootste reis maak je ter plekke – een ontmoeting met Meneer Jozef

De grootste reis maak je ter plekke – een ontmoeting met Meneer Jozef

En je verhaal?
Mijn verhaal, Mevrouw de Heks?…
Waarom moet u daar nu over beginnen?
Mijn verhaal… uitgerekend nu!
Mijn verhaal, daar begin ik morgen aan.
Dat zeg je altijd!
Morgen, Mevrouw de Heks.
Morgen is er weer een dag. 
Weet je dat wel zeker?
(stilte)
Jongeman?
(stilte)
Nee, niet echt.
Slaap lekker.
Hmmm
Jozef van den Berg, uit: De Geliefden (1985)
Zondagochtend. Gehuld in het dekbed keken we naar kinderprogramma’s uit de Villa van de VPRO. Het was in de jaren ‘80 en ik was allang geen kind meer, eerder weer op zoek naar het kind in mezelf. We zagen toen onder ander de serie Monni en Nanni, Rembo en Rembo, en ook theatershows van Jozef van den Berg.
Prachtig vond ik het, hoe hij, mét de zaal, opging in een fantasiewereld die heel scherp de lijnen van de ‘echte’ wereld volgde. Schijnbaar eenvoudige parabels die, in ieder geval voor de jong-volwassene die ik was, de ontroerende tragiek van het leven weergaven met de oneindige wijsheid en speelsheid van een kind.
Ik schreef toen ook, en net als nu, te weinig. Van mijn vriendin kreeg ik een antiek, leeg opschrijfboekje. Voorin schreef ze: ”Ga zitten en schrijf je verhaal.” Misschien dat er een paar woorden bij zijn geschreven maar mijn verhaal heb ik nog steeds niet gedaan. Misschien is dit een deel ervan.
Vaak gaat het zo: ik ga iets doen. Daar heb ik iets voor nodig en dat ben ik kwijt. Zoek het, op de computer. Start dus de computer op…Koffie zetten, halen, drinken… De computer is dan opgestart, werkt niet naar behoren en wat ik zocht ben ik inmiddels vergeten. Ik ga iets anders doen. Wat heb ik daarvoor nodig? Een pasje, of iets anders. Waar is dat?…Zoeken, zoeken, zoeken… Vind een pen die al lang kwijt was maar ik niet zocht. En papiertjes die ik ook niet zocht maar waar nodig iets mee gedaan moet worden. Maak een nieuw stapeltje papier. Gooi ander papier in de oudpapier bak. Dan heb ik iets gedaan.
Boek
 
Jozef van den Berg begon als poppenkastspeler, voor kinderen, en evolueerde naar theatermaker met een Familie aan kleine handpoppen. In de jaren 1980 maakte hij naast elk programma voor volwassenen een versie voor kinderen. Zo las ik net in het boek van Francis Jonckheere: ”Jozef van den Berg, Van

Poppenspeler Tot Acteur Van Christus” (uitgeverij Lannoo, 2014). Francis heet voor Jozef ook wel Nikodim, beiden zijn toegetreden tot de Grieks-Orthodoxe Kerk. Waarschijnlijk heb ik indertijd dus alleen de kindervoorstellingen op tv gezien, maar het maakt mijn waardering voor zijn werk er niet minder om.

Vijfentwintig jaar geleden stopte Jozef met het theater. Op 14 september 1989 komt hij het podium op van de Rode Zaal in het Singel theater in Antwerpen en zegt:
“Ik zal nooit meer spelen.
Ik ben een werkelijkheid genaderd die niet meer te spelen is.
Ik heb ontzettend lang gezocht, ben overal geweest.
Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie
en die conclusie ben ik nu zelf: dat de zoeker zoekt, maar hij wordt gevonden.
Daarom sta ik vanavond voor het laatst op de planken.
[…]
Ik ga.
Het geld dat u hebt betaald kunt terugkrijgen bij de kassa.
Het gaat u allen goed. Tot ziens.” 

Er ging een schok door de culturele wereld. Ik heb het niet gemerkt. Mijn vader was een maand daarvoor op 12 augustus overleden en ik stond niet open voor veel nieuws uit de wereld. De val van het IJzeren Gordijn, dat drong wel door, en die man, die met een plastic tasje in de hand de tanks tegemoet trad op het Tien-A-Min Plein in Peking, dat weet ik ook nog. Maar op een of andere manier had ook dat met de dood van mijn vader te maken, toen.
Ik ben in die tijd zelf ook wel eens naar Russisch Orthodoxe diensten geweest. Onder het mannengezang van Gospody Pomiloei zie ik Gods geest tussen de berken op de Russische toendra’s zweven.

Verhaal
Jaren later, twee jaar geleden, komt mijn vrouw bij mij wonen. We kijken filmpjes op YouTube en ik vertel hoe een kunstenaar kan worden opgeslokt door zijn eigen werk, zoals in mijn ogen bij voorbeeld Jozef van den Berg is overkomen. Dat hij als zoekend theatermaker de ultieme stap had genomen en kluizenaar was geworden. We bekijken nog wat filmpjes en mijn lief zegt dat ze die man graag wil ontmoeten. Uit de filmpjes maken we op dat hij bij een gele kerk woont. Vanuit de tuin waar zijn hutje staat en waar hij op een fimpje het gras maait, kan je de klokketoren zien. Kerstavond 2012 gaan we op zoek naar die kerk en komen eerst bij een tweeling-kerk die een dorp verderop staat en vinden even later de juiste. We spreken een paar uur met hem, over ons verhaal en over het zijne.
‘Meneer Jozef’ noemt mijn vrouw hem en dat houden we er maar in. In zijn voorstellingen speelde hij altijd De Jongeman. Nu is hij, zowel naar leeftijd als geestelijke rijpheid, geen jongeman meer. Ik zeg dat ik het jammer vind dat hij geen toneel meer speelt. Via het theater en tv wist hij een heleboel mensen te bereiken, mensen zoals mij te laten delen in de mooie boodschap die hij heeft. Meneer Jozef vertelt hoe hij tot zijn stap is gekomen. Over de dood van zijn broer en het zoeken naar waarheid via verhalen in het theater. En hoe dat op een gegeven moment niet meer samen ging. En hoe hij van een Griekse patriarch de opdracht meekreeg ‘acteur van Christus’ te worden en hij zelf ook dacht dat daarmee bedoeld werd: op de planken, maar dat dit mislukte. Op (boven-) natuurlijke wijze werd duidelijk dat er iets anders mee bedoeld werd. De wereld is het toneel en God zelf maakt de scene in het bestaan van Meneer Jozef, die leeft van wat de mensen hem geven en nooit gebrek lijdt. We zijn er sindsdien een paar keer geweest en nemen ook altijd iets mee – koffie, iets lekkers, warme sokken, een boek.
Het gebeurde niet meteen, maar mijn idee over Meneer Jozef als de geniale kunstenaar die is opgeslokt door zijn fantasie is wel bijgesteld. Ik had wel meteen door dat hij niet gek is, allerminst. Hij is ook geen Jezusfreak of goeroe. Meneer Jozef straalt een bijzonder prettige warmte uit. “Met liefde en in waarheid. Als we de liefde of de waarheid verwaarlozen, gaat de diepgang teloor”, zegt hij in het boek tegen Francis Jonckheere, over zijn leven in het geloof.
Hij is gewoon een buitengewoon mooi persoon die leeft in God. Zonder voetstuk. Voor de VRT Radio zei hij: “Ik ben geen monnik, evenmin ben ik tot diaken of priester gewijd, ik ben gewoon een gelovige, maar ook iemand met een specifieke taak, een eigen roeping.”
Nieuws
Meneer Jozef is nog steeds, of meer nog, wijs en spreekt nog steeds schijnbaar eenvoudig. En hij is ook nog steeds grappig, en o zo belangstellend. Hij drinkt met zijn vriendelijke ogen alles in wat je vertelt. Alhoewel we met grote tussenpozen zijn geweest, weet hij altijd niet alleen onze namen, maar ook de details nog van vorige gesprekken: “En, heeft je zoon die baan nog gekregen?” vraagt hij dan.
Ik vind het ook (bijna) niet meer jammer dat hij is gestopt met optreden. Zijn ‘verhaal’ is er alleen maar mooier op geworden, authentieker. En ik kan nu dus gewoon bij hem langs. Niet voor een voorstelling, maar voor een echt gesprek, van mens tot mens. Dat is heel mooi. Ik voel me altijd puur en open, mijn ziel voelt zogezegd gelaafd, als ik bij Meneer Jozef ben geweest.
Gisteren waren we er weer. Voor Sinterklaas had mijn moeder ons samen het boek van Francis Jonckheere gegeven. Bijna op de dag af vijfentwintig jaar na zijn afscheid van het toneel, werd het boek gepresenteerd in dat zelfde Singel theater in Antwerpen. En Meneer Jozef was er bij, en maakte zogezegd de singel rond. “Een soort levende brief”, zegt hij in een interview. . Ditmaal was het niet in de Rode Zaal, maar in de Blauwe Zaal van het theater. Hij ging gekleed in een rode jas – dat dan weer wel – die  hij ooit van een Griekse priester heeft gekregen.
Het haalde zelfs het BRT Journaal van 5 september 2014. Zoals wel vaker geven de media van onze Zuiderburen oneindig veel meer blijk van cultureel besef dan de Nederlandse. In Nederland is Cultuur alleen nieuws als er geld mee gemoeid is.
Meneer Jozef had er lang over na moeten denken, veel raad gezocht in gebed, of het wel de Bedoeling was van de regisseur Daarboven. En ja, hij is dus gegaan, terwijl hij eigenlijk nooit Neerijnen verlaat. De laatste keer was drie jaar geleden, toen zijn zus was overleden.
Beide keren was Ronnie zijn chauffeur. Ronnie komt nu zo’n tien jaar om de week bij Meneer Jozef langs. We hebben Ronnie daar gisteren ontmoet. En, toevallig of niet, had hij vier gebakken visjes en patat bij zich. Zo hebben we, met z’n vieren binnen de vierkante meter van het ‘gastenverblijf’, met z’n allen gegeten. Mijn lief had een kaart voor Meneer Jozef gemaakt waarop ik iets had geschreven naar aanleiding van de stukjes die ik al had gelezen in het boek. Er staan ook transscripties in van fragmenten uit de theatershows, die altijd uit improvisatie zijn ontstaan. Wat ik las vond ik meteen weer erg ontroerend en als reactie schreef ik op de kaart iets als: “Ont-roering leidt niet tot verstilling, inactiviteit, wel tot sprekende stilte.”
We hadden het boek bij ons en vroegen of hij er wat in wilde schrijven. Dat deed hij:
“Neerijnen, 6 December 2014
H. Nicolaas
Uit dit boek:
“Elke mens, die van dit water wil drinken wil drinken
moet er zelf heen gaan, want ik spreek over Christus.”
Heel veel goeds,
Jozef”
Meneer Jozef vertelde over de grote heilige die Nicolaas was en dat er nog steeds olie uit zijn sarcofaag in Bari druppelt. Maar we hadden het ook over de goede oogst uit de tuin dit jaar en hij vertelde over de problemen die hij had met muizen en ratten. “Ze lopen gewoon onder mijn hoofdkussen door. Daar valt niet mee samen te leven, vooral niet met ratten” Tegen de ratten heeft hij toch maar gif gebruikt. De muizen vangt hij en zet hij uit in het bos. “Dan lig ik te slapen en hoor ik die val. Dan moet ik er snel bij zijn, anders gaan ze dood. En dan kijkt die muis je zo aan, van ‘wat gaat er nu me gebeuren.’ De muis doe ik ik een kooitje en dan fiets ik daar, midden in de nacht, met een muis naar het bos waar ik ze weer vrij laat.
Stilstaande Reiziger
In het boek beschrijft Francis Jonckheere hoe Meneer Jozef in zijn werk en als mens een reiziger was, een zoeker die gevonden werd. En hoe hij nu “een stilstaande reiziger” is in een hutje langs de weg. Dat vind ik een mooi beeld wat erg lijkt op mijn idee over reizen.
Mensen reizen wat af, vaak uit noodzaak, voor het werk of op de vlucht, maar ook uit gezonde nieuwsgierigheid. We reizen om de wereld te leren kennen, om andere dieren, culturen en mensen te zien. Overal komen we vooral ons zelf tegen en de meeste mensen hebben een thuis om praktisch onveranderd weer in terug te keren. Foto’s gemaakt, herinnering opgeslagen en de deur gaat dicht. “Dat hebben we weer gehad.”
Hoe kan je nu zoveel mogelijk zien en leren op reis? “De reis is de bestemming” is misschien een cliché geworden, maar daarom niet minder waar. In mijn weliswaar beperkte ervaring merk ik dat het vliegtuig onbevredigend is. De reis begint op een zielloze plek, de luchthaven, waar je in een zwart gat stapt en er weer uitkomt op even karakterloze luchthaven. Als een soort buizenpost ben je weliswaar vervoerd, maar van reizen is geen sprake. Als je met de trein gaat is dat al beter. Om te beginnen is het treinstation vaak een levendige omgeving, en onderweg zie de landschappen mooi aan je voorbijtrekken. Als je iets langzamer gaat, met de auto, zie je al meer. Zeker als je de snelwegen mijdt, zie je niet alleen landschappen, maar ook de verschillende steden. En het is wat actiever, je voelt de afstand.
Fiets van Jozef
Je voelt de afstand nog beter als je gaat fietsen. Met je kop in de wind voel je elke kilometer en vooral het hoogteverschil erin. In plaats van steden en dorpen zie je wijken en straten. Met de boot, en dan vooral zeilend is op dit niveau ook een mooie vorm van reizen, de mooiste wat mij betreft. Vanaf het water ziet de wereld er heel anders uit. Je herkent je eigen stad haast niet als je die voor het eerst over het water kan benaderen en verkennen.
Hoe langzamer je gaat, hoe meer je ziet. De reis wordt nog gedetailleerder als je gaat lopen. Dan kom je individuele huizen en bomen tegen op je pad. Maar het meest zie je nog als je blijft staan, of gaat zitten onder de boom. Nu pas ziet de reiziger de plek waar hij is het best. Er komen mensen langs, en vogels en hij ziet een mierenroute naast zich. De verste reis maak je sur place, ter plekke. En als je lang genoeg zo blijft reizen, begrijp je waarom die boom hier staat, en niet verderop.
Dat doet Meneer Jozef nu. Hij reist in zijn hutje onder die kweeperenboom in Neerijnen verder dan wij. De hele wereld komt langs in de ogen van een muis. En hij reist verder, ziet het Licht in het kaarslicht bij de icoontjes.
I.P. Fisher

Ben jij het (monoloog)

Setting: thuis bij C, dat ben ik of jij. Hij of zij is in een periode van ledigheid.

D. komt binnen zonder kloppen of aangebeld te hebben. Hij (niet zij) is gehuld in onopvallende kleding die zijn gezicht aan het zicht onttrekt. Eindnoot.

Hij heeft iets bij zich – een grote schaar of een spa, een hark, weegschaal of zeis, maar het kan ook iets anders zijn, bij voorbeeld een nondescripte kartonnnen doos.

(Eigenlijk is het een dialoog, dat wil zeggen er zijn twee personen – C en D – bij betrokken maar met de bezuinigingen op de Cultuuruitgaven in gedachten kan ook volstaan worden met een enkel personage wegens onstentenis van tekst. De tekst kan dus ook een eenzijdige dialoog genoemd worden.)

 

C: Ah ben jij het

kom binnen

daar ben je dus…en je hebt iets bij je

Is dat – ?

zo ik doe de deur maar weer dicht

tegen de tocht

slot erop anders waait ie open

en je weet maar nooit tegenwoordig

van de week nog –

loop maar door let niet op de rommel ik was net bezig wat dingetjes een beetje af te –

Wil je koffie

thee iets anders?

ga zitten doe of je thuis ben

je bent afgevallen

Nog even dit – moet even…

gistermiddag gisteravond begon ik met iets –

was van de week op tv, ik dacht dat doe ik ook en

en vanmorgen dacht ik van

Nou…

maar nu

ik weet het zo net niet

Zo ja, daar –

Nu weet ik het zeg maar

helemaal zo net niet meer

Nu jij er bent

dus

en

ik zei net nog bij mezelf

goh, zou die nog komen

En daar ben je dan ja

We hadden wel zo half afgesproken maar voor je’t weet komt er weer wat tussen
je hebt het druk en je weet nooit zeker of het zo uitkomt

maar goed

het is dus toch vandaag geworden

daar ben je dan

En ik heb verder geen plannen

Alleen dus gewoon dat ik nog even wou kijken of –

Een paar dingejes nog

Maar goed, dat is nu toch niet meer nodig

Denk ik

Toch? Of –

Klaar

            Het is goed zo

Dus

 

 

D.:      

Nou

Laten we maar gaan dan

Dan moet het maar

Ja. Dat moet dan maar

zal maar een jas aandoen

Weg naar huis

Het moest er toch altijd ooit eens van komen

En het is nu dan

duidelijk

Want wat je daar in handen hebt

dat is ..?

 

I.P. Fisher, woensdag 14 augustus 2013. Vrijdag 27 september 2013

Eindnoot. Zie mijn gedicht in Caesar’s Paleis (gedichten 1982-1990):

Dood

 
Iemand die u niet goed kent, of haat

Iemand die u steeds van achter zag

en soms in het gelaat

Iemand die zeer wit is, al doorzichtig

die ’t minst gelijk het meest nabij is

Iemand die je in de huid zit, zwijgend

iemand die elk oog op slag beziet
Iemand die je in stilte verstaat,

stomweg afgesproken iemand

die je nu voor ogen staat

 

Commissie De Meisjes, Oog in Al

In Utrecht liet jonker Everard Meyster het buitenhuis ‘Oog in Al’ bouwen in 1664. Het was zijn derde. Amersfoort had hij al verblijd met de aanleg van de landgoederen ‘Nimmerdor’ en ‘Doolomberg’. Ook is hij verantwoordelijk voor De Kei van Amersfoort. Hij ging de weddenschap aan dat hij de bevolking zo gek kon krijgen dat ze een grote zwerfkei uit de buurt van Soesterberg, zo’n acht kilometer verderop, binnen de stadsmuren zouden trekken. En won. De jonker werd de stad uitgejaagd waar hij eenentwintig jaar had gewoond en kwam zo, inmiddels rond de vijfenveertig, terug in zijn geboortestad Utrecht. Daar bestond in die tijd een ambitieus plan om de stad in westelijke richting uit te breiden langs de pas gegraven Leidse Vaart. Om uitzicht te hebben op de aanstormende stad en wellicht ook om winst te maken door de verkoop van grond kocht hij een stuk land ‘aan de Noordzyde van de Leidse Vaart, een quartier uur gaans van Utrecht’, gemeten vanaf de Catharijnepoort.Op dat land bouwde hij zijn huis.

De westwaartse uitbreiding liet ruim tweehonderd jaar op zich wachten, maar het buitenhuis is gebleven. Dat wil zeggen, het hoofdgebouw, tuinmanshuis en de theekoepel zijn verbouwd maar nog steeds intact; een klassiek Romeins aandoend bouwsel met onbekende functie is rond 1780 verdwenen.
 
In 1918 werd het huis met omringende weilanden, in totaal zo’n twintig hectare, aangekocht door de gemeente voor 430.000 gulden. In de weilanden werd een tuinwijk naar het ontwerp van Berlage aangelegd en het oorspronkelijke landhuis werd als theehuis het middelpunt van een nieuw openbaar park. Sinds 1961 zit er een dependance van de openbare bibliotheek. De bijbehorende theekoepel aan de Leidse Vaart biedt sinds eind 19e eeuw ook uitzicht op het Merwedekanaal en het pittoreske sluizencomplex daarin. In de oude tuinmanswoning huist, of huisde in ieder geval in de jaren rond 1980, het gezin van een opzichter bij de plantsoenendienst.
Het is nog steeds een kwartier lopen vanaf het centraal station of Hoog Catharijne (“Winkelhart van Nederland”) naar Oog in Al, een wijk met de sfeer van een villadorp.
Aanvankelijk wilden mensen er niet wonen, het was te modern naar de smaak van de tijd. De architect Rietveld heeft er gewoond (in de Bachstraat) en heeft er ook een paar woningen achtergelaten die staan aan wat nu Jochem Uytenhaageplantsoen heet (pro memorie: de jongen die in 2002 Olympische medailles hardschaatsen won woonde daar, doet inmiddels in ‘sport & lifestyle coaching and training’ en woont daar volgens mij nog steeds).
Na de Tweede Wereldoorlog werd het juist een ouderwetse wijk, een ‘dorp in de stad’ waar duidelijke, ongeschreven regels golden. De heggen waren goed geknipt. In de jaren negentien negentig werden de jaren dertig woningen mateloos populair onder hooggeschoolde tweeverdieners en verjongde de wijk enorm. Voor de ouderen waren inmiddels speciale voorzieningen aan de rand van de wijk beschikbaar.

Als rijke mensen een beetje vreemd zijn heten ze excentriek. Dat is ook de faam van de ‘dolle jonker’ E. Meyster. Zo was zijn eigen uitbreidingsplan voor Utrecht geschreven op rijm en liet hij verschillende bizarre publicaties uitkomen. Zijn landgoederen moesten zijn ideeën verbeelden. Het mag geen wonder heten dat hij na zijn dood wilde voortleven, en niet alleen als naamgever van een laan in ‘zijn’ wijk en in de bijnaam van de stad Amersfoort en haar bewoners. In het laatste kwart van de twintigste eeuw is de jonker dan ook aan deze kant van gene zijde gesignaleerd, om precies te zijn in zijn oude tuinmanswoning en wel in de gedaante van zijn broek.

Landhuis, nu bibliotheek: Park Oog in Al 1 (1966)
De kinderen van de Groenopzichter zagen hem het eerst:
“Mamma, er loopt een broek door de kelder.”
“Ach, ongeremde kinderfantasie” dacht ze.
Maar later zag ze zelf inderdaad een losse, lege broek door de kelder lopen en al lopend verdwijnen in de muur. De heer des huizes vroeg de bekende paragnost Leo Pannekoek om de zaak te onderzoeken. Pannekoek kwam en, verdomd, hij voelde inderdaad enige ‘aanwezigheid’ in de kelder. Hij vroeg door over de broek die was gesignaleerd en deed nader onderzoek. Het bleek een typisch eind zeventiende-eeuwse broek te zijn.
“En waar is die broek precies verdwenen?”
Paragnost Pannekoek raadde aan wat stenen uit de keldermuur te breken en zo werd een nog onbekende, lege ruimte ontdekt, zonder broek.
Ook is waargenomen dat in het torenkamertje van een oud huis aan de overkant van de Leidse Vaart soms midden in de nacht een kaars brandt. Een jonggestorven geliefde van (de broek van) Everard Meyster zou daar gewoond hebben.
Lopend door de bochtige lanen met de namen van antieke dichters en klassieke componisten hoor je de geheimen fluisteren achter de bakstenen muren van het dorp Oog in Al. Drama’s achter de begonia’s, hartstochten gesmoord in nimmer dorre coniferen.
Ik ken een familie die er al decennia woont. Mevrouw is een geboren Utrechtse, meneer is oorspronkelijk een kaasboer uit het Groene Hart. Toen hun jongste kind, een dochter, werd geboren leefden ze op de Richard Wagnerlaan. Daar woonden ze nog toen de kleine meid zes jaar was. Op een nacht lag ze rustig te slapen op dezelfde kamer als haar twee broers en zus. Plotseling werd ze wakker met een onbestemd gevoel.
Ze zag een vrouw in de kamer staan, of beter, een vrouwelijk silhouet, gehuld in een lichtblauwe robe. Haar gezicht was niet zichtbaar. Ze zei niets. Met ingehouden adem bleef het meisje liggen kijken, wachtend tot de vrouw bewoog, of iets zei. Plots hoorde ze haar oudste broer fluisteren:
”Mama, ben jij dat?” en even later:
“Wie ben jij?”
Maar de vrouw antwoordde niet. Ze bewoog ook niet. Na tien heel stille minuten ging ze geruisloos naar het raam, zijwaarts schrijdend. Onzichtbare armen bewogen als trage engelenvleugels soepel onder haar blauwe kleed. Zo ging ze het raam uit en is ze verdwenen, opgelost, alsof zij nooit was verschenen.
De jongste dochter vraagt zich nog steeds af hoe het gezicht van de vrouw eruit zag en of ze haar misschien iets had moeten vragen, maar wat?
Mozartlaan, links de R. Wagnerlaan, rechts park Oog in Al (1936).
Oog in Al, een tuinwijk met ‘s winters een zwerm spreeuwen in het park. Bij het kanaal stond tot een oude fabriek waar sojameel wordt gemaakt. Een comité was daartegen, en de gemeente gaf in 2001 een oprotpremie van 37 miljoen gulden. In de wijk zijn scholen waar veel gewone kinderen gewoon naar school gaan.
Lopend door de bochtige lanen met de namen van antieke dichters en klassieke componisten hoor je de geheimen fluisteren achter de bakstenen muren van het dorp Oog in Al, hoor je de skeletten rammelen in de muurkasten van de klassiek gemeubileerde kamers en-suite.
De familie die ik ken heeft lange tijd geleefd van de meubelhandel en woninginrichting. En, ja, levering van bankstellen, stoelen en kasten, gordijnen en luxaflex, behang en tapijt betekent dat je letterlijk bij de mensen over de vloer komt. Zo had de zaak een huishouden als klant dat bekend stond als De Meisjes. Niemand kende eigenlijk de achternaam van het merkwaardig samengestelde ‘gezin’. Moeder de vrouw bestierde het huishouden en ving van alle kanten geld voor haar vreemde kostgangers. Ze had één pleegzoon die later elders werd geplaatst: Bert, in de wandeling Bert Met Het Ei, want hij had zo’n joekel van een bult bovenop zijn hoofd. Er was ook een zwakbegaafde dochter, die had ze van zichzelf. Vanwege de oorspronkelijke gezinssamenstelling van moeder en dochter stond het huis met de bewoners bekend als De Meisjes.
Moeder De Meisjes kreeg dus voor de zoon-met-het-ei geld om hem in huis te houden en voor de dochter omdat ze die thuis hield. Voor zichzelf had ze natuurlijk ook een uitkering. En ze had ook voor haar gehandicapte vriendje een maandelijkse toelage geregeld. Want die huisde daar ook: de Blinde Fotograaf. Nee, hij is niet altijd blind geweest, het was al een oudere man die niet meer werkte. Dat was haar scharreltje. Omdat ‘ie door zijn blindheid overal in huis as morste mocht hij alleen nog op de WC zijn sigaretje roken. Hij kreeg eens een horloge van zijn geliefde vriendin. Hij kon de tijd er niet van aflezen, maar was zo blij als een kind en liet de hele buurt naar zijn klokkie kijken:
“Ik heb een gouden horloge van haar gekregen. Mooi hè.”
En iedereen, behalve hij, zag dat een goedkoop blikken dingetje was.
Tenslotte was er nog De Jamkoker, die zo heette omdat hij werkte in een jamfabriek. De Jamkoker was van niemand familie maar ook hij wierp zijn inkomen altijd braaf in de schoot van Moeder De Meisjes. Hij was feitelijk de kostwinner in huis maar hoe die relatie nu zat met moeder of dochter, of met wie dan ook – we weten het niet, maar Moeder De Meisjes ging over de gezamenlijke pot. Dat was duidelijk.
Het huishouden werd vervolmaakt door de bokser, zo’n hond met een platgeslagen neus en een laag voorhoofd, een soort dat nogal eens kwalijk wil rieken. De bokser werd dan ook elke dag rijkelijk geparfumeerd. ‘s Morgens pakte Moeders het parfumflesje met een kwastje aan de verstuiver en besproeide zijn hele hondenlijf. Meneer pastoor werd trouwens ook vaak gesignaleerd bij De Meisjes maar het is niet zeker of ook die dan geld meenam.
Bunker vermomd als huis in het park
Lopend door de bochtige lanen met de namen van antieke dichters en klassieke componisten hoor je de geheimen fluisteren achter de bakstenen muren van het dorp Oog in Al en zie je als vreemde uit een ooghoek vitrages opzij schuiven, zelfs als het huis verlaten is.

Hoewel ze de meest bijdehante van het stel was, leek mevrouw De Meisjes ze niet allemaal op een rijtje te hebben. Drie keer in de maand belde ze naar de Woninginrichting voor nieuwe spullen, vooral behang. Telkens moest er een ander behangetje komen want
“Nee, ik vind het toch niet zo bij de rest kleuren.”
Buiten de lokale middenstand profiteerde vooral haar zwakbegaafde dochter van de aanwezige centen. De dochter werd behandeld als een prinses. Haar pleegzoon Bert had het echter zwaar te verduren. Hij moest alle klusjes opknappen die zijn pleegmoeder in het hoofd had en hij moest dat doen op de manier die haar aanstond.
Dus begon Bert Met Het Ei de dag met een bezoek aan bakkerij Do Schat voor een halfje wit of bruin, al naar gelang De Meisjes wensten. De bokser, een uur tegen de wind in stinkend, ging steevast mee. De eerder genoemde jongste dochter had rond acht uur altijd dezelfde missie en stond vaak met Bert in de rij.
“Stakker van een dier, en stakker van een Bert.”
De kleine meid was ervan overtuigd dat de hond een zeer menselijke eigenschap bezat:
“Pas op”, zei ze tegen iedereen, “niet roddelen over andere mensen, hoor. De hond hoort alles en vertelt alles door.” Het meisje was zeer beducht voor de bokser.
Elke dag ging Bert ook langs de groenteman en haalde daar elke dag aardappelen en prei. Daarna kon de slager bezoek van Bert verwachten. Hij kocht daar voor kapitalen aan vlees. Daarnaast was Bert buiten te zien als hij het bestek moest poetsen. Met zijn rossige haar rond die nooit slinkende buil zat hij dagelijks voor de huisdeur, met de besteklade op zijn knieën en het busje zilverpoets naast zich. In alle jaargetijden die Nederland heeft te bieden – lauwe regen, warme regen, koude regen en sneeuw – zat Bert Met Het Ei op de stoep het zilver poetsen. En ook moest hij, weer of geen weer, buiten de was doen voor het hele huishouden. Achter in de tuin, die door schuttingen een binnenplaatsje was geworden, in een grote houten tobbe. Moeders was dan gewoon om zonder veel plichtplegingen haar directoire uit het slaapkamerraam te gooien:
“Hier, Bert, vangen.”
Het werkse leven van Bert speelde zich verder af achter de geraniums en gordijnen van huize De Meisjes. Wat hij dan zoal deed bleek bij de keren dat de woninginrichter langskwam. Ze zagen Bert altijd zitten op een stoofje in de steenkoude keuken. Aardappels schillen, dezelfde die hij ‘s morgens bij de groenteman had moeten halen en die hij ‘s avonds moest vermalen, drijvend in de vette jus, gemaakt met een heel pak boter. Dat had hij hard nodig, vond moeder De Meisjes, voor zijn zware programma overdag. Want terwijl Bert boodschappen en klusjes deed, kwam mevrouw De Meisjes alleen buitenshuis om nieuwe meubeltjes uit te zoeken bij de Woninginrichting. Dan kon ze weer even in de buurt zijn van de knappe stoffeerder die er werkte. Ze had al die tijd een oogje op hem en misschien was dat wel de enige reden voor haar klandizie. Terwijl zij futiele pogingen deed om zijn liefde te winnen, haalden de stoffeerders weer nieuwe bestellingen voor Commissie De Meisjes binnen.
Plastiek van E. Dodeigne, geplaatst 10 juli 1980
Op een kwade dag ging de Jamkoker dood. Hij viel dood neer na een hartstilstand. Paniek. Het hele huishouden (op de hond na) raakte zo in verwarring, dat ze naar het medicijnkastje snelden en handenvol van elkaars medicijnen naar binnensloegen: de pillen voor het zwakke hart van de Jamkoker, de kalmeringsmiddelen van Moeders, die tegen epilepsie van de dochter, de oogdruppels van de Blinde Fotograaf, bloedverdunners en bloeddrukverlagers, de hele bliksemse boel slikten ze door elkaar naar binnen. Het gevolg laat zich raden: de hele familie volgde de Jamkoker naar het ziekenhuis (ze waren erg aan elkaar gehecht) alleen lag Jamkoker in het mortuarium en de rest op de Intensive Care.
Kort na hun ontslag uit het ziekenhuis zijn ze verhuisd naar het voormalige dorp Vreeswijk, nu opgenomen in Nieuwegein. Weer later zouden zij zijn verhuisd naar Nigtevecht. Verder is niets meer van het huishouden vernomen. Wel is bekend dat de bokser inmiddels het leven gelaten heeft, eindelijk verlost van het parfum waar zijn gevoelige hondenneus gek van geworden moet zijn.
“Een vreemd stel mensen”, vindt meneer, “Maar, het was een goeie klant.”
In een punt tussen twee kanalen en van de beruchte wijk Kanaleneiland gescheiden door de uitvalsweg naar het westen, ligt de woonwijk Oog in Al. De rondweg heeft een brede middenberm met hoge bomen en een mooie beeldengroep: “Drie Gestalten.”  Drie mistroostige klompen steen die doen denken aan regen en die luisteren naar gefluisterde geheimen uit de bakstenen muren van het dorp Oog in Al.
Bronnen:
          “Parken in Utrecht”, red. Bonica Zijlstra, historische reeks Utrecht, dl.11 (Matrijs, Utrecht,1988).
          Het ontstaan van Oog in Al, Raphaël Rijntjes, Architect, 2008. www.mensenmakenooginal.nl/

– Dit verhaal door palescue is op 1 februari 2004 verschenen in e-zine Writer’s Block. Voor deze versie is het behoorlijk geredigeerd en aangevuld met nieuwe Keiharde feiten. – IP Fisher, 30 mei 2013.

Deutschlandfunk (DLF2)

Den lezer heil!
Voorafgaand aan genieting van de hoofdtekst wordt u namens de schriftsteller recht hartelijk aanbevolen deze link en deze hierte beklikken met muis en Ctrl-toets gezamenlijk. Vergeet u daarbij niet de bij de computer behorende, juist aangesloten en correct ingestelde geluidsrandapparatuur te laten functioneren. Gelijktijdige beluistering van beide, aan de links onderliggende geluidssporen zal tijdens lezing van de hieronder geplaatste paragrafen in behoorlijke mate bijdragen aan de totale beleving en verwerking van het beoogde product. Veel dank en genot gewenst in het vooruit.
Auto in, radio aan.
…schlager. Seek, zappen op de radio, zoek het volgende FM-station…en ja hoor, daar hebben we die paardelullen van Genesis weer…seek…en daar die ene paardelul, die solo ging. Kom hoe heette… Seek… Phil Collins…nu het overstuurde nepgeschreeuw van Nickelback. Stembandgekots…Seek… Gepraat. Even op de zender laten staan, kan goed zijn. Die Duitsers kunnen goed praten. Maar nee, nu komt een flauwekul belspelletje waarbij net zo serieus, hoog-monotoon gesproken wordt…Geil… als, zeg, bij een essay over de erfenis van het nationaal-socialisme… Seek… DLF. Die blijft de komende paar honderd kilometer opstaan, en gaat in Nederland automatisch over op Radio1.

Deutschlandfunk. Honderd procent gepraat en alleen serieus gelul, nul flauwekul. Dus geen stoplapje muzak of reclames rond de hoofdpunten van het nieuws en het weer, maar keihard doorgaan, van het ene naar het andere loodzware item. Inderdaad een oeroude joodse psychiater over de erfenis van het nationaalsocialisme in de nieuwe landsdelen, een beschouwing over Monet of over Turkije en de EU. Achtergrond. Recensie. Opinie. Aan de microfoon zijn uitsluitend hoogkwalitatief stemmen die uitstekend verstaanbaar Hoogduits spreken. (Halfzwitsers  gejodel uit Beieren, het Noordelijk taalgehakt of pruttelend Westpools kan ook leuk zijn, maar mooi Duits is Hoog Duits. Zeg ik)
Deutschlandfunk blijft opstaan, van Midden Duitsland tot over de grens bij Winschoten.
Rijden “naar het einde van de nacht”. Links zwarte bomen. Rechts zwarte bomen. Zwarte weg voor mijn zwarte banden, zwart bos voor de bomen. Deutschland klinkt als een auto. Niet zoals de mijne maar een nieuwe, een auto met Vorsprung durch Technik. Das Auto. Wir leben Autos, zegt een derde groot merk. Duitsland klinkt als een auto. Een nieuwe auto met nieuwe banden. Schoon, en alles doet het…zoevend gaat het met gezwinde spoed over de brede autobaan in dé auto (zwart of zilvergrijs) van roestvrij droomstaal. Groter. Beter. Klaar.

…Duitsland, de Duitse Gestalt… wat moet je er verder over zeggen?… Raststӓtte 1500m. “Nee, dank u, alles onder controle.” 
Totale Kontrolle. Twee woorden die Duistland wel aardig typeren: totaal, honderd procent, doorgaan tot het laatste fluitsignaal, bij voorbeeld…en controle, de route van A naar B zal stap voor stap, minuut voor minuut zijn gepland. Ik woonde eens een presentatie bij van een Amerikaans softwarebedrijf wat een programma verkoopt waarmee de handhaving van beleggingsvoorschriften wordt gemonitord. Ze leverden ook aan Duitse bedrijven en waren daar trots op, want “The Germans, you know, they love rules.” Toch denk ik dat de Amerikanen minstens net zo bureaucratisch zijn, dat land is behept met een ferme formulierenfetish. 
Stempelen maar…In Duitsland heb ik wel mijn stempelverzameling fors uit weten te breiden…ook doordat ze buiten gebruik raakten,  daar zijn ze er, net als in Nederland overigens, inmiddels ook wel achter dat bureaucratie prima valt te verergeren zonder papier. Digitaal kan het ook, en groter, beter…
Van de geplande route wordt niet afgeweken. Als het ene programma onderdeel tot 15:20u. duurt, dan stopt het ook op die tijd en als daarna een informeel samenzijn is gepland, dan blijft ook iedereen aanwezig om in de voorgeschreven tijdsspanne gezellig te doen. Op de plaats rust met een glas bubbels losjes tussen twee vingers…maar gezellig? Ook in de omgang is Men schoon en netjes…schon nett…best aardig. Correct. Beleefd maar niet vriendelijk, en daarin precies andersom als veel andere Europeanen, neem de Ieren…doorgaans heel vriendelijk maar bepaald niet beleefd.
Die, ietwat benauwde, beleefdheid, die stok die in de reet van veel Duitsers lijkt gestoken, tot de kruin aan toe, kon best nog wel eens een erfenis zijn van de oude Spieβbürger in de Duitse genenpool. De Spieβer, of Spitzbürger, spitsburger, is een ‘bourgeois’, de denigrerende benaming voor een burgerlijke, bekrompenpersoon – mentaal star, met  een uitgesproken overeenstemming met sociale normen en  afkeer van verandering. Is dat nu zo typisch Duits? Dat typeert de burgers overal ter wereld en vaak is dat maar goed ook…”I’m a law abiding, god-fearing citizen and proud of it” hoor ik nóg een man met lange, knauwende stembuigingen zeggen  in een documentaire van jaren geleden. 
Na zijn uitgesproken gehoorzaamheid aan de (belasting) wetten en de vrees voor God kwam wel een fors kritiekpuntje op de toenmalige president. Ik ben vergeten waar dat precies over ging, maar de maatschappij hangt nu eenmaal aan elkaar van geschreven en ongeschreven regeltjes en de hoop dat onze God ons de juiste beslissingen ingeeft – anders rest ons de totale oorlog van allen tegen allen.
Gezien de toon en inhoud van veel praatprogramma’s en documentaires op de Duitse tv lijkt er nog wat anders ander de hand dan burgerlijke gehoorzaamheid. 
Don’t mention the war[1] – in het Duitse publieke debat echter wordt de oorlog en het hele zwarte hoofdstuk van Damals uitgebreid besproken. Vaak, lang en diep wordt de nationaalsocialistische maatschappij en de mens daarin ontleed…en het effect op de volgende generaties.
“Ja!”, schreeuwde het volle stadion als uit één mond…en de huidige Duitser schaamt zich daar nog steeds voor. Schaamt zich diep…totaal, voor de medeplichtigheid van vrijwel iedere burger aan de iconische slechtheid van de nazitijd, die afbraak van ‘beschaving’. Hoe konden we met zijn allen zo meegaan in het uitleven van zo’n entartete psychologie? En alhoewel de orde van de dag in de Duitse politiek harde discussies kent (maar wel met substantie, het gaat tenminste ergens over), lijkt het me of iedereen de gedachte in zijn achterhoofd heeft: laten we het vooral netjes houden. Niet veroordelend, objectief. 
Laten we de procedure goed volgen, naar letter en geest, voordat Het Beest weer losbreekt. Je weet maar nooit…

Ik heb een tijdje in Duitsland gewoond en gewerkt en veel op en neer gereden naar Nederland…een hoop geleerd. Zoals…dat je niet met 150 kilometer per uur van baan moet wisselen als je een bocht vergaf maakt en ondertussen een sjekkie draait en/of een sms’je stuurt, want voor je het weet word je rechts ingehaald door zo’n glanzende bolide met knipperend grootlicht… dat ging nog maar net goed. 
Ik heb ook geleerd dat het een vooroordeel is dat de Duitsers geen humor hebben. Echt waar, ik heb een aantal zeer welsprekende, ironische voorbeelden gezien van ongeëvenaarde, droogheid. Ik vertelde een keer over de positie van Geert Wildersdie men in Nederland niet kon of wilde, niet mocht of juist moest  vervolgen voor racisme. “Tut-tut-tut,” zei een collega toen ik mijn handen wanhopig, een óók met een zekere schaamte in de lucht gooide, “en we we hebben indertijd toch zó het goede voorbeeld gegeven, met aanschouwelijk onderricht.”

  Duits gestalte

Zwart. Hout. Droomstaal.
Steil. Murmelende bron in duister woud.
Meer heuvels dan dalen.
Groter. Beter. Klaar.
Totale. Controle.
Grondig steentje op stapje
gepoetst en gestapeld. Afgestempeld
onderschreven.
Natuur. Steen. Roest. Vrije Rijn.
Duchtig in vorm,
terugblijvend hard
en fijn beleefd zijn
(tot op de avond boeren zwijnen zijn
en bier nog laat de wijn leest)
I.P. Fisher


[1]Hier wilde ik een hyperlink naar de beroemde aflevering van Fawlty Towers insluiten. De BBC heeft hier een stokje voor gestoken. John Cleese zal vast nog wel ergens te vinden zijn, maar ik heb nu geen tijd om verder te zoeken.

SMS Snoepjes

 



SMS2G

 

G.           17:23                     Mijn verhaaltjes hou ik voortaan voor mijzelf!

En hou jij je verhaaltjes voor jou zelf!

I.             17:49                     Geen uitleg.

Geen verhaaltjes. Kus

17:52                     Niet wat ik doe.

Niet waar ik ben. Kus

17:53                     Geen vragen of antwoorden.

Geen belangstelling, hobby, werk of interesse. Kus

17:57                     Geen teken van leven.

Geen melding van gezondheid, of ziekte of moeheid. Kus

17:57                     Niets over het huidige humeur of gevoel.

Niets over het weer. Kus

17:59                     Geen gedachte.

Geen idee.

En zeker geen fantasie. Kus

18:01                     Er komt geen geluid over mijn lippen.

Ik ben geur- en smaakloos.

Onzichtbaar. Kus

18:02                     Niets over mij.

Niets over jou.

Niets over niemand. Kus

18:03                     Over nergens ook niet.

En nooit. Kus

18:03                     Kus

 
I.P. Fisher
04MRT2010
 
 
Snoepjes
 
Wat doen die snoepjes daar?
Die snoepjes doen niets,
ze liggen daar maar
Hier een zwarte en een gele
en hier een groene en een zwarte
op een tafeltje onder het raam,
blauw tafeltje met een bijna onregelmatig
patroon van stippen,
groene, paarse en zwarte stippen
en om het blad is een ijzeren rand gebogen.
Het raam erboven is gebogen.
Ook de bankjes zijn groen. De snoepjes
zijn kegelvormig en bespikkeld met witte suiker.
Het volgende station is Bussum-Zuid.
 
 
I.P. Fisher
08januari2010